19 december 2003
Vanochtend kwam de SER in openbare raadsvergadering bijeen. Er werd een advies vastgesteld over innovatie en een advies over de Wet op de ondernemingsraden.
Raad achter innovatieadvies Als Nederland echt werk wil maken van een goed innovatiebeleid is een forse cultuuromslag nodig. Dat benadrukten vrijwel alle raadsleden die in de vergadering van vanochtend over het advies over innovatie spraken. Daarmee onderstreepten ze dat het terecht is dat hier in het advies veel aandacht voor is.
“Cultuurverandering is misschien een containerbegrip waarin vaak van alles gestopt wordt dat ongrijpbaar is”, zei kroonlid prof. J. Cramer. “Maar het is wel de crux van dit probleem. Als je alleen de structuur gaat veranderen, los je nog niks op.”
Volgens haar moet die verandering op alle niveaus plaatsvinden: binnen en tussen overheden, ondernemingen en kennisinstellingen. Op het individuele niveau wil ze mensen niet alleen scherp houden door ze te belonen voor goed werk maar ook door ze te straffen als ze tekort schieten. “Ik spreek uit ervaring als ik zeg dat het binnen de Nederlandse universiteiten een crime is om om te gaan met mensen die slecht presteren.”
Voorzitter J. Schraven van VNO-NCW pleitte voor een cultuur die gericht is op het belonen van excellentie. “Een cultuur van winnaars, zoals u wilt. Het is typisch Nederlands om uitblinken te bagatelliseren. Het hoofd boven het maaiveld uitsteken, wordt niet gewaardeerd.”
Schraven benadrukte dat voor innovatie ook een goed ondernemersklimaat van belang is. “Met een slecht ondernemingsklimaat hebben we weinig aan onze kennis. Dan zullen kennisintensieve bedrijven ook steeds minder belangstelling voor Nederland hebben.” Hij citeerde Philips-voorman Kleisterlee die zei dat innovatie gericht moet zijn op kennis, kunde en kassa.
CNV-voorzitter D. Terpstra signaleerde dat er een spanning zit tussen het streven om de lonen concurrerend te houden en een verhoging van de productiviteit. Terpstra, die mede namens de beide andere vakcentrales sprak, stelde dat overheid, werknemers en werkgevers daarvoor samen onorthodoxe oplossingen moeten vinden. Die zullen ook onderdeel moeten worden van de cao-onderhandelingen. “Innoveren zal vooral op de werkvloer moeten plaatsvinden. Werknemers moeten daar dan ook voldoende ruimte krijgen om zich te ontwikkelen.”
Voorzitter L. Hermans van MKB-Nederland was verheugd over de vele aanbevelingen in het rapport om het innovatievermogen van het midden- en kleinbedrijf te verbeteren. Hij pleitte ervoor om in het advies meer aandacht te schenken aan de rol van het middelbaar beroepsonderwijs. “De notitie kijkt te veel naar de high tech, de hbo’s en de universiteiten.” Verder benadrukte hij nog eens het belang van de zogenoemde kennisvalorisatie. Kennisontwikkeling is volgens Hermans in Nederland niet zozeer het probleem, het gaat pas mis bij de kennisbenutting.
Kroonlid H. Don waarschuwde ervoor dat het streven naar kennisvalorisatie niet ten koste mag gaan van fundamenteel onderzoek. Verder stelde de CPB-directeur dat de Nederlandse overheid nog veel kan leren van beleidsexperimenten. Hij steunde de voorstellen in het advies om beleid systematisch te analyseren en daar consequenties uit te trekken. Don had ook nog een meer relativerende opmerking. “De groei van de productiviteit mag dan teleurstellen, de totale omvang is wel hoog. Er is hier ook heel veel goed gegaan. Een analyse van hoe dat komt, zou ook veel op kunnen leveren.”
Wet op de ondernemingsraden verdeelt de SER Werknemers en werkgevers binnen de SER denken heel verschillend over een aanpassing van de Wet op de ondernemingsraden (WOR). Tijdens de raadsvergadering van vanochtend is bij de behandeling van een ontwerpadvies hierover verschillende malen gestemd.
Daarbij is gebleken dat een meerderheid van de raadsleden (bestaande uit de werknemersleden en de kroonleden) van mening is dat de huidige WOR voldoende mogelijkheden biedt voor een flexibele toepassing van de wet. Een ingrijpende wijziging van de WOR is volgens hen niet nodig. Ook is een meerderheid van de raadsleden (deze keer bestaande uit de werkgeversleden en de kroonleden) van mening dat het niet nodig is om de wettelijke bevoegdheden van de ondernemingsraad uit te breiden.
Verder sprak een meerderheid van de raad (werkgevers en kroonleden) zich uit tegen een wettelijk geregelde synchronisatie van OR-verkiezingen, tegen een uitbreiding van OR-faciliteiten en tegen een wijziging van de huidige positie van uitzendkrachten in het kader van de WOR.
Een meerderheid van de raad (bestaande uit de werknemersleden en de kroonleden Don, Kolnaar, Leune, Wilke, Wijffels en mevrouw Cramer) is voor een vergroting van de transparantie en betrokkenheid van de OR bij de besluitvorming over het beloningsbeleid voor bestuurders en toezichthouders in ondernemingen die een jaarrekening moeten publiceren en voor meer informatie aan de OR over de beloningsverhoudingen binnen de onderneming. Een minderheid (bestaande uit werkgevers en de kroonleden Bakker, Van Duyne, Linschoten en Van Vught) wil op deze punten geen veranderingen in de wetgeving.
VNO-NCW directeur J.W. van den Braak zei, mede namens de andere raadsleden aan werkgeverszijde, dat hij zich wel in de plannen van de minister kon vinden om meer flexibiliteit in de medezeggenschapswetgeving aan te brengen. Volgens hem is de regelgeving in de WOR te fijnmazig geworden. Het idee van minister De Geus om de WOR om te bouwen tot een meer algemene kaderwet noemde hij het overwegen waard. Ook was hij het ermee eens om ondernemingen de mogelijkheid te geven om in overleg met de ondernemingsraden de bevoegdheden van de raden te beperken. “Wat is daar eigenlijk op tegen?” Voor een uitbreiding van de bevoegdheden van de raden, zag hij geen ruimte.
Voor dat laatste pleitte vice-voorzitter mevrouw K. Roozemond van de FNV wel. Zij wilde het initiatiefrecht van de OR versterken en de OR tevens een enquêterecht geven, alsmede een adviesrecht over winstbestemming.
Roozemond, die mede namens de beide andere vakcentrales sprak, stelde dat de WOR niet grondig genoeg geëvalueerd was. Verder constateerde zij dat het kabinet een weinig fundamentele en inhoudelijke visie op medezeggenschap heeft.
Wel ondersteunde Roozemond de plannen van de minister om de belangstelling voor het OR-werk te vergroten door de verkiezingen te concentreren in een bepaalde periode. Die moeten dan niet gelijktijdig voor het hele land plaatsvinden, zoals De Geus voorstelt, maar gespreid per bedrijfstak.
Namens de kroonleden sprak dr. M. Wilke. Uit de sterk verschillende opvattingen van sociale partners over de kabinetsplannen leidde hij af dat er onvoldoende maatschappelijk draagvlak bestaat voor ingrijpende veranderingen in de wet. Omdat uit de evaluatie onvoldoende naar voren komt dat de huidige wet niet voldoet, is het volgens Wilke ook helemaal niet nodig om deze te flexibiliseren, zoals de minister voorstelt. “Wij zijn niet tegen flexibiliteit, maar de huidige wet biedt hiervoor voldoende mogelijkheden.” Ook een uitbreiding van de wettelijke bevoegdheden van de raden, waar de vakcentrales voor pleiten, is volgens Wilke niet nodig.
Kroonlid prof. P. van der Heijden, voorzitter van de commissie die het advies had voorbereid, wees erop dat de SER ook bij eerdere adviezen over de ondernemingsraden geen eenstemmigheid kon bereiken. “Dat was zo in 1975, 1992, 1994 en nu dus ook weer in 2003.”.
Noot voor de redactie
Voor nadere informatie Jan Buevink, tel. 070-3499649.