Home | Actueel | Persberichten | 2000-2009 | 2003 | Innovatie vraagt om cultuuromslagen gezamenlijke actie

Innovatie vraagt om cultuuromslagen gezamenlijke actie

26 november 2003

De Nederlandse samenleving staat voor een grote uitdaging. Hoe kunnen we bereiken dat ons land in 2010 een van de meest dynamische en concurrerende kenniseconomieën wordt, zoals het kabinet zich heeft voorgenomen? Dit ambitieuze doel kan alleen worden gerealiseerd als overheid, bedrijfsleven, werknemers en kennisinstellingen gezamenlijk in actie komen. Hiervoor is bij alle betrokkenen een cultuuromslag nodig.

Dat staat in een ontwerpadvies van de SER. Het zal worden vastgesteld tijdens de raadsvergadering van vrijdag 19 december. Het advies is voorbereid door de werkgroep Innovatie van de commissie Sociaal-Economisch Beleid, onder voorzitterschap van prof. dr. F.A. van Vught. Het is een reactie op een adviesaanvraag over de zogeheten Innovatiebrief van 10 oktober van minister Brinkhorst van Economische Zaken.

De werkgroep ondersteunt de goede aanzetten van het kabinet in de Innovatiebrief om de noodzakelijke omslag naar een dynamische kenniseconomie in Nederland te maken. Het kabinet speelt met deze brief in op de noodzaak om de randvoorwaarden voor een dynamisch innovatie- en ondernemersklimaat te verbeteren. Het kijkt daarbij ook kritisch naar zijn eigen handelen, bijvoorbeeld door stroomlijning van een aantal innovatieregelingen.

De werkgroep is van mening dat deze stap in de goede richting versterkt moet worden doorgezet. Een belangrijk knelpunt voor het innovatie- en ondernemersklimaat blijft de versnippering en verkokering van het overheidsbeleid. Verschillende ministeries voeren een eigen kennis- en innovatiebeleid met een eigen budget en eigen instituties. Dat komt de effectiviteit niet ten goede en confronteert het bedrijfsleven met een ondoorzichtig complex van instellingen. De werkgroep beveelt aan de onderlinge samenhang van het overheidsbeleid voor kennis en innovatie te versterken. Ook moet de innovatieketen – van kennisontwikkeling tot benutting van kennis in innovaties – productiever worden, zonodig door systeemhervormingen.

De overheid moet niet alleen zorgen voor voorwaardenscheppend beleid, ze moet ook een voorbeeldfunctie vervullen door innovatie een centrale plaats te geven in haar eigen beleid en handelen. De werkgroep betreurt het dat zo’n innoverende overheid in de Innovatiebrief niet voorkomt en is van mening dat de mogelijkheden hiervoor beter benut moeten worden. Zo kan de overheid actief optreden als aanjager van innovatie door innovatie in regelgeving te bevorderen. Ook kan innovatie worden uitgelokt door een slimme vormgeving van overheidsopdrachten. Dit zogenoemde innovatief aanbesteden bevordert de economische dynamiek en kan tevens worden ingezet om maatschappelijke doelen dichterbij te brengen.

Verder wijst de werkgroep op de noodzaak van consistente keuzes in het innovatiebeleid. De ondersteuning van de overheid moet gericht zijn op innovatieve clusters waarin ons land een comparatief voordeel heeft en die passen in het streven naar duurzame ontwikkeling. Bovendien is innovatie een zaak van lange adem. Dat betekent dat die ondersteuning een voldoende inzet moet hebben, zowel in duur als in omvang.

De werkgroep maakt zich zorgen over de bedrijfsinvesteringen in kennis en innovatie. Het succes van de Nederlandse kenniseconomie staat of valt met de bereidheid van bedrijven om te investeren in onderzoek en ontwikkeling en het menselijk kapitaal van medewerkers. Vooral kleinere bedrijven hebben nog te weinig aandacht voor het groeipotentieel van innovatie. Bewustwording speelt hierbij een belangrijke rol, naast het oplossen van knelpunten op het vlak van de organisatie. Voor het Nederlandse bedrijfsleven als geheel constateert de werkgroep een gebrek aan samenwerking, zowel tussen bedrijven onderling als tussen bedrijfsleven en instellingen uit de kennisinfrastructuur. Hierin ligt mogelijk een verklaring voor het bestaan van de zogenoemde kennisparadox in Nederland: de wetenschappelijke kennis in ons land is van een hoog niveau, maar de commerciële toepassingen zijn beperkt.

Gelukkig erkennen belangenorganisaties dat innovatie meer accent moet krijgen. Mede dankzij ondernemers- en brancheorganisaties leidt dit tot een groeiende stroom van initiatieven in de vorm van uiteenlopende samenwerkingsverbanden. De werkgroep moedigt belangenorganisaties aan zich ervoor in te zetten dat dit type netwerkstructuren een vanzelfsprekendheid wordt. Verder is zij er voorstander van om innovatie als vast agendapunt op te nemen bij de overleggen tussen de sociale partners onderling en tussen kabinet en sociale partners.

Universiteiten en andere kennisinstellingen kunnen hun eigen bijdrage leveren aan de omslag naar een meer dynamische kenniseconomie. Zij moeten het voor medewerkers aantrekkelijker maken om met hun kennis een eigen bedrijf te starten. De overheid kan hieraan een impuls geven door de benutting van kennis voor innovatie aan de wettelijke missie van universiteiten toe te voegen. Verder moeten universiteiten meer ruimte krijgen om strategische keuzes in hun onderwijs- en onderzoeksbeleid te maken. Universiteiten moeten een profiel kunnen ontwikkelen met een eigen combinatie van de taken onderwijs, onderzoek en benutting van kennis in innovatieve toepassingen.
De werkgroep wil ook dat hogescholen meer als regionaal centrum voor kenniscirculatie fungeren. Dat kunnen ze doen door intensief samen te werken met het bedrijfsleven, andere onderwijs- en kennisinstellingen en overheden.


Noot voor de redactie
Voor nadere informatie: Jan Buevink, tel. 070-3499649