11 november 2003
De Conventie over de toekomst van Europa heeft goed werk geleverd. De intergouvernementele conferentie (IGC) die nu het ontwerp grondwettelijk Verdrag bespreekt, zou zich hoofdzakelijk moeten richten op die zaken waaraan de Conventie niet is toegekomen. Dan gaat het vooral om het bij de tijd brengen van de bepalingen over verschillende vormen van Europees beleid in deel III van het ontwerp-Verdrag (zoals het vervoerbeleid en het landbouwbeleid). Voor dit deel moet ook een lichtere herzieningsprocedure gaan gelden.
Deze aanbevelingen aan de Nederlandse regering doet de SER in een advies van zijn Commissie Internationale Sociaal-Economische Aangelegenheden. Daarmee geeft hij steun aan het uitgangspunt van het kabinet om in beginsel zo dicht mogelijk bij het resultaat van de Conventie te blijven. De SER wil het kabinet echter aanmoedigen meer gerichte aandacht te geven aan een stroomlijning en modernisering van deel III van het Verdrag. Een herziening van deel III over het beleid van de Unie behoort nu niet tot de prioriteiten van het kabinet.
Positief over de Conventie
De SER-commissie vindt dat de Conventie veel meer heeft opgeleverd dan de twee voorgaande intergouvernementele conferenties. Belangrijke winstpunten zijn de nieuwe formule voor het vaststellen van een gekwalificeerde meerderheid (een meerderheid aan lidstaten die bovendien meer dan 60 procent van de bevolking vertegenwoordigen) en het verruimen van de mogelijkheden voor meerderheidsbesluitvorming (in plaats van unanimiteit). Op onderdelen vindt de commissie een verdere uitbreiding van meerderheidsbesluitvorming gewenst. Daarbij denkt zij aan bepaalde aspecten van het buitenlandse beleid – in het bijzonder het gemeenschappelijke handelsbeleid – en van de belastingen.
Deel III moet worden vernieuwd
De SER-commissie vindt dat bij het opstellen van het nieuwe grondwettelijke Verdrag ook de bepalingen over beleid in deel III moeten worden opgeschoond en bij de tijd gebracht. Deel III van het ontwerp-verdrag dateert namelijk voor een belangrijk deel nog uit de jaren vijftig. Zo bevatten de onderdelen over mededingingsbeleid en vervoerbeleid nog uitzonderingsbepalingen in verband met de gevolgen van de Duitse deling.
De commissie doet enkele concrete suggesties voor verbetering van het beleidsdeel van het ontwerp-Verdrag. Deze betreffen onder meer:
- Het waarborgen van het vrij verkeer van werknemers, onder meer door consequente toepassing van meerderheidsbesluitvorming over afspraken voor behoud van socialezekerheidsrechten van migrerende werknemers.
- Het invoeren van meerderheidsbesluitvorming voor het opheffen van fiscale belemmeringen voor grensoverschrijdend zakendoen en grensoverschrijdende bedrijfsintegratie. Het gaat dan onder meer om de regulerende energieheffing, om grensoverschrijdende verliescompensatie binnen ondernemingen en om de fiscale behandeling van grensoverschrijdende pensioenregelingen.
- Een verdere versterking van de positie van de Europese Commissie bij het beoordelen van buitensporige overheidstekorten in het kader van het Groei- en Stabiliteitspact.
- Het beter vastleggen van de methode van open coördinatie van het sociaal beleid door het begrip ‘richtsnoer’ te definiëren.
- Het opnemen in de bepalingen over milieubeleid van een verwijzing naar het begrip ‘duurzame ontwikkeling’.
- Het actualiseren van de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB), onder meer door ook aandacht te geven aan de productie van ‘groene diensten’ (agrarisch natuur- en landschapsbeheer).
- Het consequent toepassen van meerderheidsbesluitvorming op de externe dimensie van de interne markt, en daarmee op alle aspecten van de gemeenschappelijke handelspolitiek die intern tot de bevoegdheden van de EU behoren. Dit geldt natuurlijk ook voor de externe dimensie van het gemeenschappelijke vervoerbeleid.
Toekomstige wijzigingen van deel III mogelijk maken
De aard van deel III brengt met zich mee dat ook in de toekomst aanpassingen aan veranderende omstandigheden en inzichten wenselijk kunnen zijn. Voor aanpassingen van het Verdrag is unanieme aanvaarding én ratificatie door de lidstaten nodig. In een Unie van 25 of meer lidstaten moet dus een forse horde genomen worden om het Verdrag te kunnen herzien. Dat is terecht voor bepalingen van constitutionele aard in deel I en II. Maar bepalingen over Europees beleid in deel III zouden onder een lichtere herzieningsprocedure (bijvoorbeeld: wel unanimiteit, maar géén ratificatie) moeten gaan vallen.
Noot voor de redactie
Voor nadere informatie: Mariek de Valk, tel. 070-3499648.