22 november 2001
De vorming van conglomeraten, waarbij pensioenfondsen bijvoorbeeld een verzekeraar of arbodienst als dochter hebben, geeft reden tot zorg. Deze ontwikkeling creëert namelijk onduidelijkheden over het doen en laten van pensioenfondsen. Om ongewenste discussies over het instituut pensioenfonds te voorkomen, moeten er daarom criteria worden ontwikkeld zodat duidelijk wordt wat wel en wat niet behoort tot de kerntaken van pensioenfondsen.
Dat staat in een ontwerp(aanvullend)advies1 over de Nieuwe Pensioenwet dat de raad naar verwachting op vrijdag 21 december zal bespreken. Het is voorbereid door de Pensioencommissie, onder voorzitterschap van prof.dr. L.F. van Muiswinkel. Het is een aanvulling op een eerder SER-advies over de Nieuwe Pensioenwet van 18 mei 2001. Beide adviezen zijn een reactie op een adviesaanvraag van staatssecretaris Hoogervorst van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 2 mei 2000.
In dit aanvullende advies gaat de raad in op twee onderwerpen: pensioenfondsen aan de top van een holding en de positie van pensioenfondsen in de Pensioen- en Spaarfondsenwet (PSW).
Pensioenfondsen aan de top van een holding
Het ontwerpadvies ziet de pensioenfondsen als een verantwoorde en gewaardeerde mogelijkheid om collectieve pensioenregelingen uit te voeren en wil ze daarom als belangrijke pijler van het Nederlandse pensioenstelsel handhaven. Door de vorming van conglomeraten ontstaat onduidelijkheid over het doen en laten van pensioenfondsen. Deze onduidelijkheid kan leiden tot het ter discussie stellen van het instituut pensioenfonds en dat ziet de commissie als ongewenst. Daarom is het van belang dat duidelijk wordt wat wel en wat niet tot de kerntaken van pensioenfondsen behoort. Binnen de commissie wordt daar verschillend over gedacht.
Een deel van de commissie vindt dat naast de arbeidsvoorwaarde pensioen ook de direct daaraan gerelateerde producten tot de kerntaken van een pensioenfonds behoren. Dit deel beveelt aan de ontwikkelingen van pensioenfondsen te monitoren, met de mogelijkheid voor de toezichthouder (de Pensioen- en Verzekeringskamer) tot bijsturen of ingrijpen. Binnen enkele jaren moet dan duidelijkheid komen over de toe te passen criteria en de vraag of deze in wetgeving moeten worden verankerd. Het moet, zo meent dit deel van de commissie, echter mogelijk blijven voor sociale partners en fondsen om in te spelen op nieuwe ontwikkelingen rond de arbeidsvoorwaarde pensioen. De criteria moeten toetsbaar zijn. De activiteiten van pensioenfondsen dienen bovendien transparant te zijn.
Een ander deel van de commissie vindt dat pensioenfondsen zich moeten beperken tot hun kerntaak. Er is dan nog voldoende ruimte om te reageren op nieuwe ontwikkelingen op het terrein van de arbeidsvoorwaarde pensioen. Om het gestelde doel te bereiken adviseert dit deel het kabinet te overleggen met de meest betrokken partijen op decentraal niveau. In dit overleg moet nadrukkelijk aandacht worden besteed aan het zuiver houden van de relaties en de financiële banden tussen het pensioenfonds en de afzonderlijke uitvoeringsorganisaties. Aldus kunnen criteria worden ontwikkeld waaraan op enig moment een meer algemene werking kan worden gegeven. Dan moet worden bezien of het wenselijk is die criteria in wet- of regelgeving vast te leggen. Als het overleg echter niet tot het gewenste resultaat leidt, kan volgens dit deel van de commissie niet worden ontkomen aan wetgeving die verdere sturing geeft aan het handelen van pensioenfondsen.
De positie van pensioenfondsen in de PSW
Het ontwerpadvies meent dat in het kader van de modernisering van de PSW de positie van de pensioenfondsen geactualiseerd moet worden. In het bijzonder de herverzekeringsplicht past volgens de commissie niet meer bij de huidige pensioenfondsen. Deze plicht houdt in dat de voor pensioen bestemde gelden van pensioenfondsen in beginsel moeten worden gebruikt voor het herverzekeren bij een verzekeraar. Daarmee gaat de herverzekeringsplicht over het zekerstellen van pensioengelden. Uitgangspunt daarbij is de discontinuïteit van het fonds en de eis dat het fonds te allen tijde aan zijn verplichtingen kan voldoen. De commissie vindt deze eis in zijn algemeenheid te stringent en het beoogde zekerheidsniveau te kostbaar. Dit laatste beperkt ook de mogelijkheid van indexatie van pensioenen. De commissie bepleit dan ook een zekerheidseis die uitgaat van de continuïteit van het fonds en van de zekerheid dat de uitkering te zijner tijd kan worden gedaan. Dit betekent dat de huidige herverzekeringsplicht moet worden afgeschaft en vervangen door een eigen solvabiliteitstoets voor pensioenfondsen.
1Het gaat om een ontwerpadvies. De opvattingen die hier worden weergegeven, zijn die van de commissie van voorbereiding.
Noot voor de redactie
Voor nadere informatie: Mariek de Valk, tel. 070-3499648.