Home | Actueel | Persberichten | 2000-2009 | 2001 | SER in ontwerpadvies NMP-4: plan van aanpak nodig voor overgang naar duurzame energiehuishouding

SER in ontwerpadvies NMP-4: plan van aanpak nodig voor overgang naar duurzame energiehuishouding

11 oktober 2001

De Sociaal-Economische Raad steunt de kerngedachte uit het vierde Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4) dat op een aantal terreinen ingrijpende transities nodig zijn om tot een duurzame samenleving te komen. Het denken in transities is vernieuwend en ambitieus, maar stelt heel hoge eisen aan het overheidsbeleid. Zo heeft transitiebeleid een tijdhorizon van vele decennia, die vereist dat huidige en toekomstige politici bereid zijn om werkelijk langetermijnbeleid te voeren en de druk van kortetermijnbelangen te weerstaan. Ook is de inzet van bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties nodig om een transitie te realiseren. In het NMP4 ontbreekt een concreet plan van aanpak om de beoogde transities daadwerkelijk van de grond te tillen.

Aldus het ontwerpadvies1 over het NMP4 dat de SER in zijn openbare vergadering van vrijdag 16 november zal bespreken. Het is opgesteld door de SER-Commissie Duurzame Ontwikkeling, onder voorzitterschap van prof.dr. L.F. van Muiswinkel. Het is een reactie op een adviesaanvraag van minister Pronk van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu van 20 juli jl.

Transities
De meest in het oog springende vernieuwing uit het NMP4 is het denken in transities. Een transitie is een breed in de maatschappij ingrijpende omslag die dertig tot vijftig jaar tijd nodig heeft om zijn beslag te krijgen. Het NMP4 zet in op drie transities naar duurzaamheid: naar een duurzame energiehuishouding, naar een duurzaam gebruik van biodiversiteit en natuurlijke hulpbronnen en naar een duurzame landbouw. Een succesvol transitieproces vereist volgens het ontwerpadvies:

  • fundamentele technologische en institutionele vernieuwing:
  • beleid met een zeer lange tijdhorizon;
  • een internationale benadering;een breed maatschappelijk draagvlak;
  • een eenduidige en betrouwbare overheid;
  • samenwerking tussen overheid en andere partijen.

Transitie naar een duurzame energiehuishouding
Het ontwerpadvies is toegespitst op de transitie naar een duurzame energiehuishouding. Het beschouwt de NMP4-plannen daartoe als een antwoord op het eerdere SER-advies om een ‘deltaplan voor een meer duurzame energievoorziening’ op te zetten. Volgens het NMP4 zal de transitie plaatsvinden langs drie sporen, te weten het gebruik van hernieuwbare energiebronnen, verbetering van de energie-efficiëntie en geavanceerde energietechnologie. Een concreet plan van aanpak is nu nodig om de transitie van de grond te krijgen. Het ontwerpadvies geeft daarvoor de volgende aanzetten.

Het ontwerpadvies ondersteunt de keuze van het kabinet om de minister van Economische Zaken trekker van de energietransitie te laten zijn. Omdat de energietransitie meer beleidsterreinen raakt dan die van Economische Zaken, beveelt het ontwerpadvies aan een onderraad van de ministerraad onder voorzitterschap van de minister-president te belasten met de hoofdlijnen van het transitiebeleid. Op dit niveau zouden de lijnen van de diverse betrokken beleidsvelden moeten samenkomen en moeten politieke afwegingen worden gemaakt. Integraal beleid betekent concreet dat het Ministerie van Economische Zaken de coördinatie op zich neemt van alle relevante beleidsvelden, inclusief bijvoorbeeld duurzaam bouwen en mobiliteit.

Uitgaande van de sterke punten en de comparatieve voordelen van ons land moeten volgens het ontwerpadvies speerpunten voor vernieuwing worden gekozen (zoals bijvoorbeeld wind, gas, warmtekrachtkoppeling, waterstof). In deze vroege fase moeten veel opties worden opengehouden, waarbij zelfs concurrerende technologieën kunnen worden ondersteund.
Per speerpunt moet een coalitie worden gevormd van bijvoorbeeld vooroplopende bedrijven, kennisinstellingen, diverse maatschappelijke organisaties, intermediairs (zoals NOVEM en NIDO) of overheden die gezamenlijk de kansen op dat punt willen benutten en uitbouwen. Ook samenwerking met buitenlandse partners moet nadrukkelijk worden overwogen. Deze ‘coalities’ fungeren als koplopers in de betreffende (deel)markt. Het peloton van bedrijven dat daarachter zit moet worden gestimuleerd mee te gaan. Vervolgtrajecten zijn daarom erg belangrijk. Resultaten van experimenten moeten een vervolg krijgen in het overheidsbeleid, bijvoorbeeld in standaardisering, aangescherpte normstelling of financiële prikkels. Daarmee wordt het peloton meegetrokken naar het niveau van de koplopers.


1Het gaat om een ontwerpadvies . De opvattingen die hier worden weergegeven zijn die van de commissie van voorbereiding


Noot voor de redactie
Voor nadere informatie: Mariek de Valk, tel. 070-3499648