21 september 2001
De SER heeft vandaag een advies vastgesteld over de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening. Daarna besprak de raad het rapport van de Commissie Sociaal-Economische Deskundigen over veranderende arbeidspatronen. Tijdens de vergadering werd het kroonlid Klaas Groenveld herdacht, die 3 september op 52-jarige leeftijd is overleden.
Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening
In dit advies stelt de SER dat de Vijfde Nota nog niet af is. De Nota kiest voor een ontwikkelingsgerichte planologie, maar werkt deze niet uit. Het advies van de SER geeft daarvoor wel een voorzet, waarbij private initiatieven en publiekrechtelijke besluitvorming aan elkaar worden geschakeld. Een gebiedsgerichte interactieve ontwikkelingsplanologie moet de vitaliteit van stad en platteland helpen versterken. Daarvoor is een effectieve, niet-vrijblijvende samenwerking tussen gemeenten nodig. Het ontwerpadvies is op één punt verdeeld: ten aanzien van de zogenoemde rode contouren.
J. Schraven (VNO-NCW) sprak namens de ondernemersorganisaties. Hij zei dat het bedrijfsleven reikhalzend heeft uitgekeken naar de Vijfde Nota van het kabinet. De werkgevers vinden het echter een gemiste kans dat het kabinet in de nota niet kiest voor vraagsturing, maar voor voortzetting van het huidige beleid. Het bedrijfsleven hecht volgens Schraven veel waarde aan een effectieve samenwerking met diverse geledingen. Daarom heeft VNO-NCW samen met het AVBB, de ANWB, Natuurmonumenten en LTO-Nederland een nieuwe visie op ruimtelijke ordening ontwikkeld. Die visie is in het SER-advies verder uitgewerkt. Het gezamenlijk uitgangspunt daarbij is dat ieder gebied in Nederland eigen kenmerken en karakteristieken heeft en verschillende functies moet ondersteunen. Bovendien verschillen de eisen die aan het gebied worden gesteld.
Schraven: “Deze diversiteit verdraagt geen algemene, landelijk opgelegde concepten, maar vraagt maatwerk. Het is van groot belang dat de overheid snel de omslag maakt van een aanbodgerichte naar een vraaggerichte ruimtelijke ordening.” De werkgevers-woordvoerder stelde wel dat maatschappelijke organisaties het niet alleen kunnen. Wat ze nodig hebben is een voorwaardenscheppende overheid in plaats van een centraal sturende overheid.
Schraven vertelde dat de werkgevers geen voorstander zijn van de contourenbenadering conform de Vijfde Nota. De kwaliteit van de ruimte is volgens hem niet gediend met het op voorhand van bovenaf insnoeren van wonen en werken door middel van de rode contour. “Deze rode contour zal een integrale gebiedsuitwerking in de weg staan en de flexibiliteit belemmeren.”
Namens de werknemersorganisaties voerde FNV’er H. van der Kolk het woord. Hij sprak van een gedegen advies, waar politici met goed fatsoen niet omheen kunnen. “De Vijfde Nota was goed in het signaleren van problemen, maar slecht in het bedenken van oplossingen”, aldus Van der Kolk. Het SER-advies gaat volgens hem door waar de Vijfde Nota ophoudt. “Het komt met een eigen herkenbare visie op het ruimtelijk beleid.”
Kroonlid prof. dr. J, Cramer sprak van een goed SER-advies. De meerwaarde van het advies zit volgens haar in het benoemen en globaal invullen van de hoofdelementen van de ontwikkelingsgerichte planologie uit de Vijfde Nota.
W. Duijvendak mocht namens de Stichting Natuur en Milieu en de Vereniging Milieudefensie spreken. Dat was een primeur voor de SER, omdat de milieuorganisaties niet officieel in de raad vertegenwoordigd zijn. Duijvendak legde uit waarom Natuur en Milieu en Milieudefensie vasthouden aan de rode contouren. De ruimte in Nederland is schaars, stelde Duijvendak. Het principe van vraagsturing kan ertoe leiden dat de schaarse open ruimte wordt volgebouwd. Daarom mag volgens de milieuorganisaties alleen gebouwd worden binnen de gebieden die door de overheid zijn aangewezen. Deze zogeheten rode contouren zouden op langere termijn alleen kunnen worden verlegd volgens een zware procedure.
Deze rode contouren zijn voor de milieupartijen niet heilig. “Maar we hebben tot nu toe geen beter instrument kunnen bedenken”, zei Duijvendak. “We moeten de verloedering en teloorgang van de open ruimte zien te stoppen.” Afgezien van dit fundamentele meningsverschil vindt Duijvendak dat het advies goede aanbevelingen doet over het afdwingen van samenwerking tussen gemeenten.
Levensloopbanen
De SER-Commissie Sociaal-Economische Deskundigen (CSED) constateert in haar Rapport Levensloopbanen, gevolgen van veranderende arbeidspatronen dat mensen steeds meer belang hechten aan een goede balans tussen arbeid en privé-leven. Die grotere behoefte aan keuzevrijheid brengt een grotere individuele verantwoordelijkheid met zich mee. Dat betekent dat individuele keuzes die ingaan tegen het belang van het bedrijfsleven en de maatschappij in het algemeen, hun prijs moeten krijgen. De introductie van individuele spaarfondsen voor meerdere doeleinden kan hierbij behulpzaam zijn. Zo kunnen pensioenbesparingen mede worden gebruikt voor bijvoorbeeld verlof of scholing.Van groot belang is dat er ten aanzien van de veranderende arbeidspatronen een samenhangend beleid wordt gevoerd op de beleidsterreinen sociale zekerheid, onderwijs en arbeidsmarkt.
Voorzitter van de CSED is prof.dr. K.P. Goudswaard. De CSED bestaat uit louter onafhankelijke deskundigen. Het rapport is op 12 september overhandigd aan SER-voorzitter Wijffels. Tijdens de raadsvergadering van vanochtend spraken de raadsleden zich uit over het rapport.
FNV-bestuurster mevrouw K. Roozemond (sprekend namens de drie vakcentrales) plaatste enkele kritische kanttekeningen bij het rapport. Zij vond dat het rapport te veel uitgaat van de mondige burger die bewust kiest voor werk, scholing, zorg of verlof en voor wie werk uitdagend en boeiend is. Volgens haar is werk voor de meeste mensen vooral noodzaak en valt er voor hen niet veel te kiezen bijvoorbeeld vanwege het gebrek aan kinderopvang. Ook was ze niet enthousiast over de voorstellen voor een driepijlermodel in de sociale zekerheid met een per pijler afnemende mate van collectiviteit en solidariteit en een toenemende mate van keuzevrijheid en eigen verantwoordelijkheid. Zij vreesde dat de eerste pijler te beperkt zou worden ingevuld en dat de derde pijler voor veel mensen nauwelijks particulier verzekerbaar zouden zijn.
De heer B. Wientjes , die het woord voerde namens alle ondernemersleden, was “bijzonder blij” met het rapport. Met name de ontmaskering van een aantal populaire mythes sprak hem zeer aan. Hij stelde dat het initiatiefwetsvoorstel van de Tweede Kamerleden Bussemaker en Van Dijke dat de zondagsrust wil herstellen, juist uitgaat van de mythe dat er een structurele groei is van flexibele arbeidscontracten en dat veel werknemers buiten de traditionele werktijden moeten werken.
Het idee om scholingsvouchers in te stellen voor voortijdige schoolverlaters vond hij echter niet verstandig: “Er gaat een verkeerd signaal van uit. Het onderwijssysteem moet juist druk blijven uitoefenen om opleidingen af te ronden, want dat leidt tot een hoger kwalifikatieniveau en dus tot een hoger maatschappelijk rendement.”
Het kroonlid mevrouw L. Groenman uitte zich eveneens positief over het rapport. Zij benadrukte het belang van ‘levensloopbestendigheid’ van het beleid. De beeldvorming over oudere mensen moet veranderen, vond ze. Dat arbeid niet in alle levensfasen centraal staat, vond ze een verrijking voor de samenleving, want het levert na een korte opfrisperiode per saldo gemotiveerde mensen op en “tijd van leven”.
Het kroonlid J. Leune vond het een knap en prikkelend rapport. Hij was het echter niet eens met het idee dat het hoger onderwijs meer vraaggestuurd moet worden. Wiens vraag zou dan bepalend moeten zijn, vroeg hij zich af. Er zijn meer belanghebbenden dan alleen de klant. De hele samenleving betaalt immers de prijs voor slecht onderwijs. De effectiviteit van het onderwijs is niet gediend met vraagsturing, vond hij.
Het kroonlid M. van der Nat vroeg zich af of de gemengde spaarsystemen wel haalbaar zijn. Volgens het rapport zouden mensen met jonge kinderen desgewenst tijdelijk minder kunnen gaan werken. Zij zouden dat uit hun eigen spaarpot kunnen betalen door ‘rood’ te gaan staan. Maar wie garandeert dat iemand daarna weer aan de slag gaat en zijn tekort weer aanvult? Wel goed vond hij het dat mensen in dit systeem worden gestimuleerd langer door te blijven werken.
CSED-voorzitter Goudswaard benadrukte tegenover mevrouw Roozemond dat de commissie geen uitspraken doet over het niveau van de sociale bescherming, maar alleen over de opbouw ervan. Deze wordt gekoppeld aan de mate waarin risico’s door het individu zelf te beïnvloeden zijn.
Tegen de heer Van der Nat zei hij dat er inderdaad een risico is als mensen het rood staan niet kunnen opheffen doordat hun inkomen niet meer verbetert. Als dat buiten hun schuld gebeurt, zou men aan kwijtschelding kunnen denken, opperde Goudswaard.
Naar aanleiding van het pleidooi van de heer Leune tegen vraaggestuurd onderwijs stelde hij dat de CSED alleen in het arbeidsmarktgerelateerde deel van het hoger onderwijs een accentverschuiving richting vraagsturing wil, zonder dat dit ten koste mag gaan van de toegankelijkheid van dit type onderwijs. Bovendien zou het onderwijs volgens Goudswaard zichzelf tekort doen als de koopkrachtige onderwijsvraag niet zou worden gebruikt
Noot voor de redactie
Voor nadere informatie: Mariek de Valk, tel 070-3499648