12 september 2001
De verscheidenheid in arbeidspatronen neemt toe. Mensen hechten steeds meer belang aan een goede balans tussen arbeid en privé-leven. Die grotere behoefte aan keuzevrijheid brengt wel een grotere individuele verantwoordelijkheid met zich mee. Dat betekent dat individuele keuzes die ingaan tegen het belang van het bedrijfsleven en de maatschappij in het algemeen, hun prijs moeten krijgen. De introductie van individuele spaarfondsen voor meerdere doeleinden kan hierbij behulpzaam zijn. Zo kunnen pensioenbesparingen mede worden gebruikt voor bijvoorbeeld verlof of scholing. Van groot belang is dat er ten aanzien van de veranderende arbeidspatronen een samenhangend beleid wordt gevoerd op de beleidsterreinen sociale zekerheid, onderwijs en arbeidsmarkt.
Dit staat in het rapport Levensloopbanen: gevolgen van veranderende arbeidspatronen van de SER-Commissie Sociaal-Economische Deskundigen (CSED). Vandaag heeft CSED-voorzitter prof.dr. K.P. Goudswaard het rapport overhandigd aan SER-voorzitter dr. H.H.F. Wijffels. De CSED bestaat uit louter onafhankelijke deskundigen1.
Het rapport geeft geen pasklare oplossingen, maar moet gezien worden als een verkenning. De probleemstelling van het rapport is hoe de wisselende voorkeuren van mensen voor arbeidsdeelname tijdens de levensloop beter kunnen worden gerealiseerd, rekening houdend met de mogelijkheden van arbeidsorganisaties en de doelstellingen van het het sociaal-economisch beleid. Achtereenvolgens komen aan de orde:
- de belangrijkste achtergronden van de veranderende arbeidspatronen;
- de knelpunten die zich voordoen bij het kiezen van de gewenste arbeidspatronen binnen de randvoorwaarden van de sociaal-economische doelstellingen;
- de beleidsrichtingen om de geconstateerde knelpunten op te lossen.
Trends en mythes
Dat arbeidspatronen veranderen is onomstreden. Mannen, maar vooral vrouwen, wisselen perioden van werk af met perioden van verlof, scholing en zorg. Maar de veranderingen in arbeidspatronen zijn volgens de CSED vaak minder algemeen dan veel wordt gedacht. Ontwikkelingen op deelterreinen worden uitvergroot en veralgemeniseerd. Dat leidt soms tot mythevorming. Zo is de vaste baan nog steeds voor het overgrote deel van de werknemers een gegeven en komt job hoppen vooral voor bij speciale groepen. Het klassieke arbeidspatroon blijft toch op veel werknemers een grote aantrekkingskracht uitoefenen.
Arbeidsmarkt: adequate prikkels
Het rapport behandelt drie concrete beleidsterreinen: arbeidsmarkt, onderwijs en scholing en regelingen voor sociale bescherming. Voor deze terreinen worden de knelpunten en beleidsopties geanalyseerd die samenhangen met de geconstateerde veranderingen in arbeidspatronen. De CSED geeft als algemene aanbeveling dat het sociaal-economisch beleid moet inzetten op optimale arbeidsparticipatie door adequate prikkels. Het gaat niet alleen om meer werk, mensen moet ook in staat zijn werk op een goede manier te spreiden over hun levensloop. Daarbij is tevens een groter accent nodig op het stimuleren van de lifetime arbeidsproductiviteit.
Onderwijs: flexibilisering en meer private financiering
In dat licht doet de CSED aanbevelingen voor het verbeteren van onderwijs en scholing. Om in te spelen op een grotere pluriformiteit van de onderwijs- en scholingsvraag moet het onderwijsaanbod verder geflexibiliseerd worden. De maatregelen die de CSED in dit verband voor ogen staan zijn een grotere nadruk op private financiering in het hoger onderwijs, bijvoorbeeld door differentiatie van collegegelden en invoering van een vouchersysteem. In het algemeen kan worden gesteld dat voorkomen moet worden dat door onderinvestering in en achterstallig onderhoud van het menselijk kapitaal de arbeidsmarktpositie van zowel werkenden als niet-werkenden gedurende hun levensloop verslechtert. Daaruit volgen beleidsopgaven op het terrein van bijvoorbeeld voortijdig schoolverlaten, de scholing van loopbaanonderbrekers en andere tijdelijke inactieven, evenals de scholing van oudere werknemers.
Sociale zekerheid: meer individuele verantwoordelijkheid
Voor de sociale zekerheid is de vraag in hoeverre de huidige arrangementen een optimale arbeidsparticipatie belemmeren. Daarbij is van belang dat het karakter van sociale risico’s verschuift. Zo spelen bij ‘nieuwe risico’s’ op het terrein van arbeid en zorg keuzeaspecten in sterkere mate een rol dan bijvoorbeeld bij het werkloosheidsrisico. De CSED pleit dan ook voor een verdere doordenking van de verantwoordelijkheidsverdeling tussen individu en collectief, die per risico zal moeten worden bezien. Individuele spaarfondsen zijn volgens de CSED een interessante mogelijkheid om aan de wens van meer keuzevrijheid tegemoet te komen. Het gewenste evenwicht met collectieve solidariteit kan worden gevonden door een model voor een gemengde verzekering. Dit model gaat uit van drie pijlers met een per pijler afnemende mate van collectiviteit en solidariteit en een toenemende mate van keuzevrijheid en eigen verantwoordelijkheid.
1In de CSED hebben zitting: prof.dr. K.P. Goudswaard (voorzitter), prof.dr. A.F.P. Bakker (DNB), prof.dr. A.H.J. Kolnaar, prof.dr. F. Leijnse prof.dr. L.F. van Muiswinkel, mevrouw prof.mr. I.P. Asscher-Vonk, prof.dr. A.L. Bovenberg, prof.dr. P. Ester (OSA), prof.dr. C. van Ewijk (CPB), mevrouw prof.dr. H. Maassen van den Brink en prof.dr. P. Schnabel (SCP).
Noot voor de redactie
Voor nadere informatie: Mariek de Valk, tel. 070-3499648.