27 augustus 2001
De Vijfde Nota over de Ruimtelijke Ordening kiest voor een ontwikkelingsgerichte planologie, maar werkt deze niet uit. Het ontwerpadvies van de SER geeft daarvoor wel een voorzet, waarbij private initiatieven en publiekrechtelijke besluitvorming aan elkaar worden geschakeld. Een gebiedsgerichte interactieve ontwikkelingsplanologie moet de vitaliteit van stad en platteland helpen versterken. Daarvoor is een effectieve, niet-vrijblijvende samenwerking tussen gemeenten nodig. Het ontwerpadvies is op één punt verdeeld: ten aanzien van de zogenoemde rode contouren.
Dit staat in een ontwerpadvies1 over de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening. Het ontwerpadvies is voorbereid door de Commissie Ruimtelijke Inrichting en Bereikbaarheid (RIB) onder voorzitterschap van dr. H.H.F. Wijffels. In deze commissie hebben ook leden uit natuur- en milieuorganisaties zitting. Het is een reactie op een adviesaanvraag van minister Pronk van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Op 21 september spreekt de raad over het ontwerpadvies.
Algemene noties
De commissie onderschrijft het belang van de Vijfde Nota als sectoroverstijgend document dat de samenhang van sectorale beleidsnota’s moet garanderen.
Zij onderschrijft ook het uitgangspunt van de nota: bevordering van de ruimtelijke kwaliteit en van een optimale verdeling van de vraag naar ruimte. Tegen deze achtergrond stelt de commissie met genoegen vast dat de nota een ontwikkelings-gerichte planologie voorstaat. Zij mist echter een goede uitwerking. De commissie ziet als centrale vraagstelling voor de ruimtelijke ontwikkelingspolitiek: waar wil de samenleving de komende periode welke dynamiek? De beantwoording vergt een integrale benadering.
De SER ziet als kernopgaven voor het ruimtelijk beleid: het stimuleren van sociale en economische ontwikkelingen ( gebruikswaarde ), het bevorderen van ruimtelijke kwaliteit ( belevingswaarde ) en het bewaken van de toekomstwaarde . Langs die weg moet de vitaliteit van zowel steden als het platteland worden gewaarborgd.
Stedelijke netwerken en intergemeentelijke samenwerking
De commissie vindt dat de nota te eenzijdig de nadruk legt op het schaalniveau van het stedelijke netwerk. Daardoor slaat de nota een niveau over, namelijk dat van de netwerkstad. De netwerkstad heeft nog steeds zijn betekenis voor een integraal gebiedsgericht beleid. Daarnaast is ook het begrip ‘stedelijk netwerk’ waardevol, vooral in relatie met de ruimtelijk-economische hoofdstructuur.
De bestuurlijke samenwerking op het schaalniveau van het stedelijke netwerk past niet als vanzelf in de huidige Nederlandse bestuurlijke structuur. De commissie onderschrijft de keuze van de nota om geen vierde bestuurslaag in het leven te roepen, maar gemeenten te prikkelen tot samenwerking en onderlinge afstemming. Om de voordelen van regionale specialisatie en complementaire functies te benutten is een effectieve, niet-vrijblijvende samenwerking tussen gemeenten nodig. De commissie is, in tegenstelling tot de Vijfde Nota, niet overtuigd van de effectiviteit van de samenwerking binnen kaderwetgebieden en beveelt aan de mogelijkheden van het Bestuursakkoord Nieuwe Stijl (BANS) intensiever te benutten. De commissie kiest voor een carrot and stick benadering om gemeentelijke samenwerking te bevorderen. De financiële wortel bestaat uit een integrale bundeling van verschillende (financiële) regelingen en de stok is een bestuurlijke: voor eventuele bebouwing buiten de bebouwde kom dienen gemeenten overleg en afstemming met buurgemeenten te plegen: zonder voorafgaande afstemming vindt geen uitbreiding in de open ruimte plaats. Bij het zoeken naar ruimte voor ‘rode’ functies wordt de SER-ladder als leidraad gebruikt. Daarbij passen ook afspraken over mogelijke compenserende maatregelen ten behoeve van groene functies, en afspraken over een mogelijke verevening van kosten tussen gemeenten onderling en met andere belanghebbenden in het gebied. In het verlengde hiervan beveelt de commissie een verbetering aan van de incentive structuur van gemeenten, door een vergoeding te geven voor het investeren in en beheren van grootschalige groenvoorzieningen.
Groene contouren, rode contouren en balansgebieden
De commissie stemt in met het voornemen van de nota om groene contouren te trekken rond gebieden met bijzondere ecologische, landschappelijke of cultuurhistorische waarden.
Wat de rode contouren betreft bestaat er verschil van mening binnen de voorbereidende commissie. Een deel van de commissie vindt dat eventuele gebiedsafbakeningen vorm moeten krijgen in een intergemeentelijk structuurplan op initiatief van de samenwerkende gemeenten. Een ander deel van de commissie vindt zowel deze benadering als die in de Vijfde Nota te vrijblijvend en pleit voor strakke rode contouren die het vertrekpunt vormen voor integrale planvorming.
Het stelsel van groene en rode contouren sluit een groot deel van de oppervlakte van Nederland buiten: de zogenoemde balansgebieden. De commissie is het niet eens met de typering van ‘zoekruimte’ die de nota geeft aan deze gebieden: naar zijn mening dient de noodzaak om te investeren in de verschillende kwaliteiten centraal te staan. In het balansgebied bevindt zich namelijk een groot aantal waardevolle landschappen. De commissie vindt het van belang de meerwaarde die bepaalde waardevolle landschappen hebben als buffer voor natuur en landschapswaarden door goede aansluitingen op natuur- en stroomgebieden te versterken.
Inrichting van het ontwikkelingsproces
De commissie ziet integrale gebiedsgerichte ontwikkelingsplanologie als een interactie van private initiatieven en publiekrechtelijke besluitvorming. De Vijfde Nota heeft geen aandacht voor de wisselwerking tussen beide trajecten. De commissie is van mening dat het gebiedsgerichte ontwikkelingsproces in beginsel open dient te staan voor alle belanghebbenden en belangstellenden. Voor een kwalitatief hoogwaardige gebiedsontwikkeling is het nodig in samenhang in verschillende functies, ook degene die onrendabel zijn, te investeren. Door ‘scope-optimalisatie’ worden de verschillende ruimtelijke investeringen in een samenhangend pakket gebracht, waardoor meerwaarde kan worden geschapen.
De commissie vindt het intergemeentelijke structuurplan een geschikt instrument om co-productie van beleid vast te leggen en beveelt aan de verplichting tot het opstellen van dergelijke structuurplannen uit te breiden tot alle stedelijke gebieden. Daarnaast pleit de commissie voor versterking van het provinciale streekplan waardoor dit kan dienen als een effectieve toets voor de beoordeling van de intergemeentelijke structuurplannen.
1 Het gaat om een ontwerpadvies. De opvattingen die hier worden weergegeven zijn die van de commissie van voorbereiding.
Noot voor de redactie
Voor nadere informatie: Lourens Kluitenberg, tel. 070-3499649.