19 april 2001
Nu steeds meer werknemers een pensioen opbouwen, blijft het waarborgen van pensioentoezeggingen onverminderd noodzakelijk. De nieuwe Pensioenwet dient zich vooral te richten op het veilig stelen van pensioengelden en een goede uitvoering van pensioenregelingen. Een verkleining van de zogeheten witte vlek (werknemers die geen aanvullend pensioen opbouwen) moet via de lijn van het arbeidsvoorwaardenoverleg worden gerealiseerd. Pensioen is immers een arbeidsvoorwaarde. Ook dient de transparantie van pensioenregelingen vergroot te worden.
Deze en nog meer onderwerpen komen aan de orde in het ontwerpadvies Nieuwe Pensioenwet. Het ontwerpadvies is het antwoord op een adviesaanvraag (van mei 2000) van de staatssecretaris Hoogervorst van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de herziening van de Pensioen- en spaarfondsenwet (PSW). Het ontwerpadvies is opgesteld door de Pensioencommissie onder voorzitterschap van prof. dr. LF van Muiswinkel en wordt nu aan de achterbannen van de centrale organisaties van ondernemers en werknemers voorgelegd. De SER zal het advies vaststellen in zijn openbare vergadering van 18 mei a.s.
Adviesaanvraag
Het kabinet wil de PSW moderniseren en technisch herzien en omvormen tot een nieuwe Pensioenwet. De commissie ondersteunt het kabinetsvoornemen om de PSW te moderniseren en te herzien. Bij een aantal van de beleidsmatige voorstellen van het kabinet voor de invulling van de nieuwe Pensioenwet plaatst de commissie echter kanttekeningen en formuleert zij alternatieven.
Het uitgangspunt van de commissie bij het beantwoorden van de adviesaanvraag is dat het aanvullend pensioen of het arbeidspensioen een onderdeel is van de arbeidsvoorwaarden. De verantwoordelijkheid daarvoor ligt primair bij de sociale partners terwijl de rol van de overheid hier voorwaardenscheppend en ondersteunend is. De nieuwe Pensioenwet dient dan ook gericht te zijn op het zekerstellen van pensioentoezeggingen. De overheid is verantwoordelijk voor de wettelijke basispensioenregeling (AOW), die het vaste en solide fundament vormt van de aanvullende pensioenen.
Witte vlek
Eén van de onderwerpen in de adviesaanvraag betreft de verkleining van het aantal werknemers dat niet deelneemt aan een pensioenregeling: de 'witte vlek'.
Het kabinet stelt dat een wettelijke regeling nodig is om te komen tot algemene werking van de pensioentoezegging. Dit betekent dat als een werkgever pensioen toezegt aan werknemers in zijn bedrijf hij in beginsel geen werknemers mag uitzonderen.
De commissie is het met het kabinet eens dat de witte vlek op pensioengebied verder verkleind moet worden. In beginsel dient ieder uit arbeid verdiend inkomen te leiden tot opbouw van arbeidspensioen.
De commissie meent echter dat een verdere beperking van de 'witte vlek' moet lopen via het arbeidsvoorwaardenoverleg. Op die manier is in de loop van de jaren de witte vlek al sterk verkleind (tussen 1987 en 1996 is de witte vlek gehalveerd). Bovendien is aanvullend pensioen een arbeidsvoorwaarde waarvoor sociale partners verantwoordelijkheid dragen en ook willen dragen. De commissie herinnert er aan dat het voornemen van het kabinet gebaseerd is op cijfers van 1996; er zijn aanwijzingen dat de ‘witte vlek’ sinds die tijd verder is afgenomen. Verder wijst zij erop dat de Stichting van de Arbeid een aanbeveling in voorbereiding heeft om pensioenregelingen zoveel mogelijk algemene werking te geven (zonder dat dit wettelijk wordt verplicht). De commissie acht een periodieke monitoring van de omvang en de samenstelling van de witte vlek wenselijk.
Om werkgevers die nog geen aanvullende pensioenregeling hebben te stimuleren een pensioentoezegging tot stand te brengen stelt de commissie voor om, via een bepaling in het BW, te bevorderen dat in elke individuele arbeidsovereenkomst een pensioenparagraaf wordt opgenomen. Daarin wordt dan expliciet aangegeven of de werknemer 'al dan niet' aan een pensioenregeling gaat deelnemen.
Duidelijkheid over indexering
Een van de andere voorstellen van het kabinet is het opnemen in de nieuwe Pensioenwet van een regeling voor het op verantwoorde wijze omgaan met de indexering van pensioenen.
Voor de commissie staat voorop dat bij een goede pensioenregeling een bestendig indexatiebeleid hoort. In de meeste pensioenregelingen is daarvan ook sprake; wel is de indexatie veelal voorwaardelijk in verband met het streven naar kostenbeheersing van de arbeidsvoorwaarde pensioen. De commissie is het met het kabinet eens dat er duidelijkheid moet zijn over het indexatiebeleid dat bij een pensioenregeling hoort. Zij adviseert dan ook in de nieuwe Pensioenwet voor te schrijven dat het pensioenreglement een bepaling moet bevatten waarin het indexeringsbeleid wordt uiteengezet.
Opdrachtbrief
Het indexeringsbeleid zou ook onderdeel moeten uitmaken van de opdrachtbrief die de commissie voorstelt. Dat is een document met alle afspraken over de pensioenregeling tussen werkgever en (ondernemings)pensioenfonds. Dat betreft zaken als het indexeringsbeleid, het beleid bij vermogensoverschotten of tekorten, het premiebeleid, enzovoorts. Dit document verduidelijkt de verhouding tussen de werkgever (als vertegenwoordiger van sociale partners) en het pensioenfonds. Daarnaast vergroot het de transparantie van de pensioenregeling voor alle belanghebbenden waaronder deelnemers, slapers en gepensioneerden.
De commissie meent dat de opdrachtbrief wettelijk zou moeten worden voorgeschreven.
Overig
Het ontwerpadvies bevat de reactie van de commissie op uiteenlopende onderwerpen zoals de positie van de directeur-grootaandeelhouder, de omgang met vermogensoverschotten en -tekorten, het voorlichtingsbeleid, de benoeming van werknemersbestuursleden, waardeoverdracht en de premievrije voortzetting van pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid. Op twee onderwerpen – de positie van pensioenfondsen in de Pensioenwet en pensioenfondsen 'aan de top van een holding' – komt de commissie terug in een vervolgadvies.
Noot voor de redactie:
Voor nadere informatie: Lourens Kluitenberg, tel. 070-3499649