22 februari 2001
De kabinetsnota Natuur voor mensen, mensen voor natuur bevat een ambitieus beleidsprogramma. Deze ambities zijn niet eenvoudig te realiseren, gezien de beperkte fysieke ruimte en de benodigde investeringen. De oplossing van het beperkte ruimteprobleem moet met name gezocht worden in het combineren van natuur en landschap met andere functies, zoals wonen, werken, landbouw en recreëren. Evenwichtig en gelijktijdig investeren in economie en ecologie is een belangrijke leidraad voor het realiseren van de ambities van het kabinet.
Dit staat in een ontwerpadvies1 dat de SER-Commissie Ruimtelijke Inrichting en Bereikbaarheid namens de raad in maart zal vaststellen en uitbrengen. Het is opgesteld door een werkgroep van deze commissie, onder voorzitterschap van prof.dr. L.F. van Muiswinkel. In deze werkgroep hebben ook leden uit de kring van natuur- en milieuorganisaties zitting. Het ontwerpadvies is een reactie op een adviesaanvraag van staatssecretaris Faber van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 25 oktober 2000.
De werkgroep onderschrijft het belang van natuur en landschap als vestigingsplaatsfactor voor wonen en werken. Het evenwichtig en gelijktijdig investeren in economie en ecologie kan zowel op macroniveau als op gebieds- of projectniveau worden bezien. De werkgroep pleit ervoor om op macroniveau de De Boer-norm te verruimen, zodat bij een hogere economische groei niet alleen rekening wordt gehouden met extra beleidsopgaven op milieugebied maar ook met die op het gebied van natuur en landschap. Op gebieds- en projectniveau zal scope-optimalisatie uitkomst moeten bieden. De werkgroep gaat hierbij uit van drie dimensies: het bij elkaar brengen van lucratieve en minder lucratieve activiteiten in de gebiedsafbakening (ruimte), het vaststellen van de looptijd van het project (tijd) en het bepalen van de kring van betrokkenen en van degenen die meebetalen (actoren). De scope moet zodanig worden vastgesteld dat de betrokken partijen meekoppelende belangen en uitruilmogelijkheden hebben om het welbegrepen eigen belang in overeenstemming te brengen met maatschappelijke belangen.
Maatschappelijke verantwoordelijkheidsverdeling
De werkgroep is met het kabinet van mening dat de overheid eindverantwoordelijk is voor het natuurbeleid. Het inschakelen van private partijen is evenwel een belangrijke voorwaarde om bovengenoemde ambities te verwezenlijken. De werkgroep maakt daarbij een onderscheid tussen de minimale inspanningen ten aanzien van natuur en landschap die van een private partij verwacht mag worden uit maatschappelijk oogpunt, en de extra inspanning waarvoor deze een beloning verdient. Ter illustratie wijst de werkgroep op het belang van het voeren van een ‘goede landbouwpraktijk’ voor het behouden en versterken van de algemene natuur- en landschapskwaliteit. Voor bijzondere inspanningen van landbouwers die daarboven uitgaan komen deze in aanmerking voor een vergoeding in het kader van agrarisch natuur- en landschapsbeheer.
De werkgroep acht het verder van belang om maatschappelijke organisaties te raadplegen, omdat zij bijdragen aan de kwaliteit van de maatschappelijke besluitvorming en burgers erbij betrekken.
Doelgerichte samenwerking
De werkgroep ziet het bevorderen van functiecombinaties als een belangrijk middel om te komen tot meervoudig ruimtegebruik. Dit is van belang vanwege de rivaliserende claims op de schaarse ruimte en vanwege de beperkte budgettaire mogelijkheden om de ambities van het natuurbeleid te realiseren. Functiecombinaties vragen om doelgerichte samenwerking en een geïntegreerd gebiedsgericht beleid. Het daarvoor in de nota genoemde instrument is het sturingsmodel. De werkgroep vindt dat de positie en rol van gemeenten en bepaalde private partijen (zoals projectontwikkelaars) daarin onderbelicht wordt.
De werkgroep beveelt aan in dat kader termijnen te hanteren voor de uitvoering van het beleid. Daarnaast vraagt de werkgroep om meer aandacht voor de samenwerking met private partijen.
Financiering
De werkgroep bepleit de stijgende prijzen van landbouwgrond aan te pakken, omdat deze de aankoop van grond voor natuur-en landschapsprojecten bemoeilijken. Zij vindt dat het probleem bij de bron moet worden aangepakt en beveelt daartoe een samenhangend pakket maatregelen aan.
Medefinanciering door private partijen kan worden bevorderd door het combineren van functies. Via het verhaal van kosten van de aanleg van groenvoorzieningen kan aan belanghebbende partijen een beroep worden gedaan op medefinanciering. De SER heeft vorig jaar al in een briefadvies gepleit voor een nadere precisering in de wet van de door de gemeenten op grondeigenaren te verhalen kosten van openbare voorzieningen die van belang zijn voor het scheppen van een kwalitatief hoogwaardige woon-, werk- en leefomgeving. Verder stelt de werkgroep voor te onderzoeken langs welke weg de kosten van het beheer voor grootschalig groen het beste kunnen worden gedekt. Hierbij kan worden gedacht aan drie varianten: de gemeente kan via scope-maximalisatie afspraken maken met buurgemeenten en belanghebbende private partijen over de verdeling van de beheerskosten, via Gemeentefonds kan een adequate vergoeding voor het beheer van grootschalig groen aan gemeenten gegeven worden en het instrument van de waterschapslasten kan ingezet worden.
1Het gaat om een ontwerpadvies. De weergegeven standpunten zijn die van de werkgroep van voorbereiding.
Noot voor de redactie
Voor nadere informatie: Mariek de Valk, tel. 070-3499648.