16 februari 2001
De SER heeft vandaag twee unanieme adviezen vastgesteld: over het Nationaal Verkeers- en Vervoersplan en over de arbeidsmobiliteit in de Europese Unie .
Nationaal Verkeers- en Vervoersplan
De SER onderschrijft de hoofddoelstelling van het Nationale Verkeers en Vervoersplan (NVVP) om bereikbaarheid, veiligheid en leefbaarheid in hun onderlinge samenhang te verbeteren. De instelling van een goedwerkende mobiliteitsmarkt, inclusief de invoering van een kilometerheffing, is daarvoor een belangrijk instrument. De raad vindt dat in het NVVP de drie onderdelen van de hoofddoelstelling niet altijd in concrete instrumenten zijn uitgewerkt. Het advies is voorbereid door de Commissie Ruimtelijke Inrichting en Bereikbaarheid onder voorzitterschap van dr. H.H.F. Wijffels. In deze commissie hebben ook leden uit de kring van natuur- en milieuorganisaties zitting.
MKB-Nederland-voorzitter J. de Boer sprak mede namens VNO-NCW en LTO-Nederland zijn grote vreugde uit over de bereikte unanimiteit van het advies. Het verheugde hem dat het kabinet de groei van de mobiliteit niet meer als een probleem maar als een gegeven beschouwt. Hij vond met name het hoofdstuk over de mobiliteitsmarkt als instrument heel belangrijk. Voor de ondernemers moet het belangrijkste effect van de mobiliteitsmarkt zijn dat de verkeersinfrastructuur wordt geoptimaliseerd. Overheid en bedrijfsleven hebben elkaar op dit gebied nodig, aldus De Boer.
Het kroonlid mevrouw J.M. Cramer vond dat het advies een goede mix bevatte tussen enerzijds een adhesiebetuiging aan de uitgangspunten van het NVVP en anderzijds kanttekeningen bij de uitwerking van die uitgangspunten. Zij vond het verstandig dat de nota de groeiende behoefte aan mobiliteit aanvaardt als een gegeven. Echter, zij miste in de prognoses de doorberekening van de mogelijkheden tot substitutie. Zo zou een deel van het zakelijke verkeer vervangen kunnen worden door vormen van elektronisch verkeer. Verder vond zij het jammer dat in het NVVP het instrumentarium voor leefbaarheid en veiligheid niet is doorberekend. Ook miste zij in het NVVP de samenhang met andere beleidsterreinen, waaronder de ruimtelijke ordening.
FNV Bondgenoten-voorzitter J. de Vries sprak namens alle drie de vakcentrales. Dat het advies unaniem is, noemde hij een klein wonder. Daar staat echter tegenover dat het nogal abstract en theoretisch is. Bijzonder vond hij het dat de raad nu eensgezind is over doorberekening van de maatschappelijke kosten van het vervoer, terwijl daar in het verleden nog verdeeldheid over bestond. Verder bepleitte hij een prominente rol voor het openbaar vervoer. Daarin zullen de komende twintig jaar forse gerichte investeringen moeten worden gepleegd, zowel op het gebied van kwantiteit als kwaliteit. De Vries waarschuwde voor versnippering bij de exploitatie van het openbaar vervoer, zoals in Zweden en Denemarken is gebeurd. De overheid moet daarom bovenregionale samenwerking afdwingen, vond hij. Verder vond hij dat de aanbesteding van openbaar vervoer geen alibi mag zijn om te snoeien op de arbeidskosten.
Arbeidsmobiliteit in de Europese Unie
De raad is van mening dat de arbeidsmobiliteit binnen de Europese Unie wordt ontmoedigd vanwege onder meer het grote risico op pensioenbreuk. De Europese Unie moet maatregelen nemen om de pensioenvoorzieningen van Europese migranten beter op elkaar af te stemmen. Verder dienen werknemers uit de Midden- en Oost-Europese kandidaat-lidstaten een prioriteitsbehandeling te krijgen. Deze burgers moeten op korte termijn kansen krijgen om in de huidige Unie aan het werk te gaan. Het – unanieme - advies is voorbereid door een subcommissie onder voorzitterschap van prof.dr. P. van der Heijden.
CNV-bestuurster mevrouw J. Westerbeek-Huitink sprak mede namens de Unie mhp en de FNV van een belangwekkend advies. Een Europese arbeidsmarkt is volgens haar nog ver te zoeken en het zal nog lang duren voordat een interne arbeidsmarkt daadwerkelijk kan ontstaan. Westerbeek gelooft niet dat vergroting van de Europese arbeidsmobiliteit een oplossing is voor de huidige knelpunten op de Nederlandse arbeidsmarkt. “Als de belemmeringen worden weggenomen, kan het hooguit een bijdrage leveren.” Verder sprak Westerbeek zich uit tegen het hanteren van overgangstermijnen voor het vrij verkeer van werknemers. De vakbonden verwachten dat de gevolgen van de Europese uitbreiding nauwelijks gevolgen heeft voor de Nederlandse arbeidsmarkt. Ze baseren zich op de ervaringen bij eerdere uitbreidingen. Ook toen waren de gevolgen nauwelijks merkbaar. Westerbeek zag slechts een klein smetje op het advies. Ze zei het te betreuren dat de sociale partners geen overeenstemming hebben bereikt over de positie van gedetacheerde buitenlandse werknemers.
Kroonlid A. Bakker stelde dat arbeidsmobiliteit een instrument is en geen doel op zich. Het kan nuttig zijn bij een betere allocatie van arbeid. Landen met bijvoorbeeld een tekort aan informatici kunnen werknemers uit andere Europese landen betrekken. Op deze manier draagt een grotere arbeidsmobiliteit bij aan de potentiële groei van de Europese Unie. Bakker wees erop dat kapitaal in Europa al bijzonder mobiel is. Arbeid blijft daarbij sterk achter. Daarom is het zaak om de huidige belemmeringen weg te nemen.
A. Kraaijeveld , voorzitter van de werkgeversorganisatie FME-CWM, voerde het woord namens VNO-NCW, MKB-Nederland en LTO. Hij zei te hopen dat een grotere Europese arbeidsmobiliteit een bijdrage kan leveren aan het oplossen van de knelpunten op de Nederlandse arbeidsmarkt. Kraaijeveld onderschreef de analyse van het advies dat op diverse terreinen nog grote belemmeringen bestaan. Zo stelde hij dat er haast moet worden gemaakt met Europese diploma-erkenning op het gebied van het beroepsonderwijs en beroepsopleidingen. Verder vond hij dat informatievoorziening tussen de diverse lidstaten over de arbeidsmarkt nog steeds tekort schiet. Daarnaast pleitte Kraaijeveld voor een betere afstemming van de aanvullende pensioenregelingen.
De werkgeversorganisaties zijn van mening dat werkzoekenden van aspirant-lidstaten op korte termijn aan de slag moeten kunnen gaan in de huidige Europese Unie. Kraaijeveld noemde de land-en tuinbouw en de grootmetaal als sectoren waar vakmensen uit Oost-Europa de bestaande vacatures kunnen opvullen. Kraaijeveld vroeg ook aandacht voor migratie van buiten de EU. Voor schaarse beroepsgroepen zouden tijdelijk bepaalde quota van migranten van buiten de Europese Unie kunnen worden toegelaten. “De betrokken ministeries moeten de koppen bij elkaar steken om diverse procedures en benodigde vergunningen te stroomlijnen en te voorzien in één loket voor werkgevers. Anders verliest Nederland de strijd om gekwalificeerde werknemers.” Werkgevers zijn binnen de UNICE begonnen met het formuleren van een gezamenlijk standpunt over de voorstellen van de Europese Commissie inzake de migratiepolitiek, aldus Kraaijeveld. "Voor het functioneren van de Europese en Nederlandse arbeidsmarkten is het essentieel om tot gelijkgestemde opvattingen te komen."
Noot voor de redactie
Voor meer informatie: Mariek de Valk, 070 - 3499 648.