Home | Actueel | Persberichten | 2000-2009 | 2001 | Ontwerpadvies SER: instemming met kilometerheffing als onderdeel mobiliteitsmarkt

Ontwerpadvies SER: instemming met kilometerheffing als onderdeel mobiliteitsmarkt

30 januari 2001

In een ontwerpadvies onderschrijft de SER de hoofddoelstelling van het Nationale Verkeers en Vervoersplan (NVVP) om bereikbaarheid, veiligheid en leefbaarheid in hun onderlinge samenhang te verbeteren. De instelling van een goedwerkende mobiliteitsmarkt, inclusief de invoering van een kilometerheffing, is daarvoor een belangrijk instrument. In het NVVP blijft op een aantal punten de relatie tussen doelen (indicatoren) en instrumenten vaag. Daardoor wordt onvoldoende duidelijk hoe de in het NVVP uitgesproken ambities zullen worden waargemaakt.
Er bestaat (nog) geen overeenstemming over het voornemen van het kabinet om landelijke parkeernormen in het ABC-locatiebeleid los te laten.

Dit staat in het ontwerpadvies over het Nationale Verkeers- en Vervoersplan (NVVP)1. Het is voorbereid door de Commissie Ruimtelijke Inrichting en Bereikbaarheid onder voorzitterschap van dr. H.H.F. Wijffels. In deze commissie hebben ook leden uit de kring van natuur- en milieuorganisaties zitting. Het ontwerpadvies is een reactie op de adviesaanvraag van de minister van Verkeer en Waterstaat over het eind vorig jaar gepresenteerde NVVP. De minister heeft de SER gevraagd aandacht te besteden aan de in het NVVP geschetste visie op sturing, de decentralisatie van middelen voor lokale en regionale infrastructuur en de grotere rol voor marktpartijen.

Mobiliteitsmarkt
De hoofddoelstelling van het NVVP is gericht op het verbeteren van de bereikbaarheid, veiligheid en leefbaarheid. Voor het bereiken van verbeterde bereikbaarheid, veiligheid èn leefbaarheid vindt de commissie meer marktwerking in de vorm van een mobiliteitsmarkt een goed instrument. Daarvoor zijn ook duidelijke publieke kaders nodig; deze moeten in het NVVP nog beter worden uitgewerkt.
Toepassing van het prijsmechanisme confronteert verkeersdeelnemers direct met de maatschappelijke kosten van mobiliteit. Dit leidt vanuit een breed welvaartsbegrip (met economische, sociale en ecologische waarden) tot optimalisatie van zowel de individuele mobiliteitskeuzes als de beschikbaarheid van infrastructuur voor verkeer en vervoer. De commissie stemt dan ook in met de (gefaseerde) invoering van een kilometerheffing, die is gedifferentieerd naar tijd, plaats en milieubelasting.

Bereikbaarheid en leefbaarheid in stedelijk gebied
Een goed werkende mobiliteitsmarkt vereist duidelijke publieke kaders. Deze hebben met name betrekking op de ruimtelijke ordening. Zo vraagt de vitaliteit van de stad om bereikbaarheid voor de verschillende modaliteiten in combinatie met een voor voetgangers en fietsers aantrekkelijke vormgeving van de openbare ruimte. In het kader van het verkeers- en vervoersbeleid gaat het vooral om keuzes ten aanzien van het parkeerbeleid, de voorzieningen voor ketenmobiliteit, de inrichting van het openbaar vervoer en de organisatie van de stedelijke distributie. Het ontwerpadvies gaat op elk van de bovengenoemde thema’s in.
In de commissie van voorbereiding is er (nog) geen overeenstemming over de inkadering van het parkeerbeleid. Het meningsverschil spitst zich toe op het voornemen in het NVVP om bij het ABC-locatiebeleid niet langer uit te gaan van nationale parkeernormen. Een deel van de commissie onderschrijft deze keuze. Dit deel van de commissie ziet wel een sturende rol voor de overheid, maar ziet die primair op lokaal niveau. Het is dan primair aan de plaatselijke overheid om in het belang van de vitaliteit van de eigen stad een evenwicht te vinden tussen doelstellingen van bereikbaarheid, veiligheid en leefbaarheid en dit te vertalen in randvoorwaarden voor het gebruik van de binnenstedelijke ruimte.
Een ander deel van de commissie vindt dat er een landelijk parkeerbeleid moet blijven als onderdeel van het nationale verkeers- en vervoerbeleid. Dit deel van de commissie is van mening dat met het parkeerbeleid ook een nationaal belang wordt gediend. Wel zou (in het belang van lokaal maatwerk) de koppeling tussen het ABC-locatiebeleid en de nationale parkeernormen op een andere manier kunnen worden ingevuld.

Decentralisatie
De commissie is groot voorstander van de decentralisatie van het verkeers- en vervoersbeleid en van de bijbehorende financiële middelen. Zij juicht dan ook de instelling van regionale mobiliteitsfondsen toe en kan zich ook vinden in een model waarbij de provincie eindverantwoordelijk is, zowel voor het beheer van het fonds als voor de prioriteitsstelling.
De commissie vindt het daarbij wel van belang dat de betrokken steden op een goede manier in de besluitvorming worden betrokken. Dit moet ervoor zorgen dat er synergie kan optreden tussen het regionale verkeers- en vervoersbeleid en de stedelijke vernieuwing. Om een adequate betrokkenheid voor gemeenten te garanderen is het gewenst dat in eerste instantie niet de provincies, maar de gemeenten over de prioriteitsstelling beslissen. Pas wanneer de gemeenten er onderling niet uitkomen, is het aan de provincie om knopen door te hakken.


1Het betreft een ontwerpadvies; de weergegeven standpunten zijn die van de commissie van voorbereiding. Het advies wordt nu door de verschillende achterbannen van de organisaties die in de commissie zijn vertegenwoordigd besproken. Naar verwachting stelt de raad het advies op 16 februari 2001 vast.


Noot voor de redactie
Voor nadere informatie: Lourens Kluitenberg, tel. 070-3499649