12 december 2000
De arbeidsmobiliteit binnen de Europese Unie wordt ontmoedigd vanwege onder meer het grote risico op pensioenbreuk en pensioenverlies. De Europese Unie moet maatregelen nemen om de pensioenvoorzieningen van Europese migranten veilig te stellen. Verder adviseert een subcommissie van de SER om werknemers uit de Midden- en Oost-Europese kandidaat-lidstaten een prioriteitsbehandeling te geven. Deze burgers moeten op korte termijn kansen krijgen om in de huidige Unie aan het werk te gaan.
Deze voorstellen staan in het ontwerpadvies ‘Arbeidsmobiliteit in de Europese Unie’. Het is een antwoord op de vraag van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid om advies uit te brengen over de Europese arbeidsmobiliteit. Het ontwerpadvies is opgesteld door de Subcommissie Arbeidsmobiliteit in de Europese Unie. Voorzitter van de Subcommissie is prof.dr. P. van der Heijden.
Het vrije verkeer van werknemers en zelfstandigen is vastgelegd in het Verdrag van Rome (1957) en behoort tot de grondrechten van de Europese Unie. Bovendien bevordert grensoverschrijdende arbeidsmobiliteit in het algemeen de welvaart. Het ontwerpadvies spreekt zich daarom uit voor het zoveel mogelijk wegnemen van resterende belemmeringen voor arbeidsmobiliteit. Belemmeringen die arbeidsmobiliteit onmogelijk maken – zoals het reserveren van bepaalde beroepen voor de “eigen” burgers – dienen naar het oordeel van de subcommissie te verdwijnen. Bij het wegnemen van belemmeringen die arbeidsmobiliteit ontmoedigen – zoals pensioenverlies – moet een nadere afweging gemaakt worden. Voorkomen moet immers worden dat hiermee ongewenste vormen van migratie – zoals pensioenvlucht – een kans krijgen.
Aanvullende pensioenen
Een belangrijk knelpunt bij het vrije verkeer van werknemers en zelfstandigen is de gebrekkige afstemming van aanvullende pensioenen. De pensioenregelingen van de diverse Europese landen sluiten niet bepaald naadloos op elkaar aan. EU-burgers die in een ander land gaan werken, lopen grote kans op pensioenbreuk. De subcommissie stelt daarom drie beleidsmaatregelen voor om dit probleem op te lossen. Zo pleit ze voor meer mogelijkheden om de pensioenrechten in het land van herkomst te behouden. Daarnaast dient het eenvoudiger te worden om pensioenen internationaal over te dragen. En verder vindt de commissie dat werknemers de kans moeten krijgen om deel te nemen aan grensoverschrijdende pensioenfondsen. Het ontwerpadvies maakt een voorbehoud bij het invoeren van deze maatregelen: ze mogen niet leiden tot ongewenste pensioenmigratie en moeten daarom stevig worden ingebed in een Europees fiscaal kader.
Diploma’s
Verder blijkt dat het vrije verkeer van werknemers en zelfstandigen in de Europese Unie moeizaam verloopt omdat het lastig is de diploma’s in de diverse lidstaten met elkaar te vergelijken. Dat geldt in het bijzonder voor getuigschriften van het beroepsonderwijs en van beroepsopleidingen. Werkgevers erkennen deze diploma’s vaak niet als ze in een ander land zijn behaald. De subcommissie denkt dat het opzetten van een speciaal netwerk soelaas kan bieden. Daarnaast acht ze het wenselijk dat landen onderwijsinitiatieven in de grensregio’s stimuleren, waardoor het bijvoorbeeld mogelijk wordt een diploma te behalen dat zowel in Nederland als in Duitsland erkend wordt.
Toch vindt de subcommissie dat er geen wonderen van de Europese arbeidsmobiliteit moeten worden verwacht. Verhuizen naar een ander land brengt nogal wat kosten met zich mee. En de inkomensverschillen tussen de huidige lidstaten – Spanje, Portugal en Griekenland uitgezonderd – zijn niet zo groot. Al met al hebben de huidige Europese werknemers en zelfstandigen weinig prikkels om zich in een ander land te gaan vestigen.
Midden- en Oost-Europa
Maar dat gaat misschien veranderen als verschillende Midden- en Oost-Europese landen binnenkort toetreden tot de Europese Unie. In deze landen liggen de lonen een stuk lager, en dat kan voor werknemers een belangrijke prikkel zijn om in de huidige Unie emplooi te zoeken. De subcommissie pleit ervoor om Midden- en Oost-Europese werknemers kansen te geven om binnen de lidstaten van de Unie aan de slag te gaan. Na toetreding van de kandidaat-lidstaten moet niet te lang gewacht worden met het vrijmaken van het werknemersverkeer; lange overgangsperioden zijn volgens de subcommissie niet nodig. Uit onderzoek blijkt dat van een massamigratie uit de voormalige Oostbloklanden geen sprake zal zijn. De ervaringen die zijn opgedaan bij de toetreding van Spanje en Portugal zijn illustratief. Het lidmaatschap van deze landen leidde ook niet tot een grote volksverhuizing.
Verder adviseert de subcommissie om in het kader van de Wet Arbeid Vreemdelingen (WAV) nu al voorrang te verlenen aan arbeidskrachten uit de kandidaat-lidstaten bij het rekruteren van personeel van buiten de EU. Volgens de WAV moeten werkgevers eerst personeel werven uit Nederland en andere EU-landen. Lukt dit niet, dan mogen zij buiten de EU werven. Het voorstel van de subcommissie houdt in dat ze bij het werven buiten de EU voorrang verlenen aan burgers uit de kandidaat-lidstaten. Daardoor kan ook bekeken worden hoe het potentieel aan arbeidskrachten in de nieuwe lidstaten aansluit bij de behoeftes van de Nederlandse arbeidsmarkt.
De arbeidsmarkt gaat beter werken als de arbeidsmobiliteit toeneemt, aldus de subcommissie in haar advies. De toetreding van de Oost-Europese lidstaten zal dan ook positieve welvaartseffecten tot gevolg hebben. De migratiestromen zullen vooral gestuurd worden door de behoefte aan arbeid in de huidige lidstaten. In de praktijk betekent dit dat vooral technici, horeca-personeel en seizoensarbeiders in de huidige Unie een baan kunnen vinden.
Noot voor de redactie:
Voor nadere informatie: Lourens Kluitenberg, tel. 070-3499649