Home | Actueel | Persberichten | 2000-2009 | 2000 | Ontwerpadvies SER: levensloopbenadering als uitgangspunt voor het emancipatiebeleid

Ontwerpadvies SER: levensloopbenadering als uitgangspunt voor het emancipatiebeleid

25 juli 2000

Zowel uit een oogpunt van emancipatie als bezien vanuit de arbeidsmarkt is het wenselijk en nodig dat er meer vrouwen in het arbeidsproces komen. Hierbij moet het uitgangspunt zijn dat vrouwen èn mannen ruimte hebben en krijgen om hun eigen voorkeuren voor de onderlinge verdeling van arbeid en zorgtaken te realiseren. Dit kan ertoe leiden dat individuele arbeidspatronen gedurende de levensloop variëren en onderbrekingen vertonen. Dergelijke aspecten van ‘diversiteit’ en ‘levensloop’ verdienen meer aandacht in het emancipatiebeleid voor het komende decennium.

Dat staat in een ontwerpadvies1over de Meerjarennota Emancipatiebeleid dat de raad op vrijdag 15 september a.s. zal bespreken. Het is opgesteld door de Commissie Arbeidsmarktvraagstukken, onder voorzitterschap van prof. dr. J.M.G. Leune. Het is een reactie op een adviesaanvraag van staatssecretaris Verstand van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 3 april 2000.

Levensloopbenadering omvat scala van arbeidspatronen
De commissie schat in dat de arbeidsparticipatie van vrouwen verder zal toenemen als gevolg van autonome ontwikkelingen èn van in gang gezet beleid van overheid en sociale partners. Maar om de door het kabinet gewenste toename van de arbeidsparticipatie van vrouwen tot circa 65 procent in het jaar 2010 (is 51 procent in 1999) daadwerkelijk te realiseren zijn ook extra impulsen nodig. Bij deze impulsen gaat het onder meer om het vergroten van de mogelijkheden van kinderopvang en het behouden en vergroten van "employability".
De extra impulsen zijn mede te plaatsen in een met meer nadruk op te pakken levensloopbenadering. De commissie relativeert het in de Meerjarennota aangehangen ‘combinatiemodel’. Individuen werken in dit model gedurende hun werkende leven gemiddeld 30 à 32 uur per week; de werknemer met zorgtaken is maatgevend voor het beleid. De nota richt zich volgens de commissie evenwel te eenzijdig op de fase waarin er jonge kinderen te verzorgen zijn. Het model doet aldus geen recht aan de diversiteit aan wensen en mogelijkheden van individuen in ook andere fasen van hun leven. Immers, ook andere levensfasen kunnen zorgintensief zijn, zoals in geval van zorgbehoevende ouders. Bovendien kunnen ook andere omstandigheden (waaronder scholing in het kader van ‘een leven lang leren’) of persoonlijke voorkeuren aanleiding zijn om tijdelijk minder te gaan werken of de loopbaan te onderbreken.

Diversiteit is nog onvoldoende uitgewerkt
Diversiteit in levensloop en de eigen keuzen van individuen vormen volgens de commissie een belangrijk gegeven waarmee het (emancipatie)beleid meer nadrukkelijk rekening dient te houden. De commissie denkt hierbij aan maatregelen gericht op behoud en vergroting van "employability" in alle fasen van het arbeidsleven. Verder worden de mogelijkheden voor taakcombineerders om zorgtaken, zoals persoonlijke dienstverlening en thuiszorg, uit te besteden, in de Meerjarennota onvoldoende belicht.
Maar ook gaat het hier om de gevolgen die variaties in arbeidsduur en loopbaan-onderbreking kunnen hebben voor rechten in de sfeer van de sociale zekerheid en pensioenen. De commissie bepleit dat dit wordt betrokken bij de door het kabinet aangekondigde herbezinning op het sociale stelsel.
Meer dan de kostwinnersfaciliteiten werpt de zogeheten armoedeval drempels op voor de arbeidsparticipatie van vrouwen en van mannen. De commissie ondersteunt het belang dat het kabinet hecht aan het vinden van een oplossing.

Positie van jongere, laagopgeleide en allochtone vrouwen
Een drietal groepen vrouwen heeft in de adviesaanvraag bijzondere aandacht.
Allereerst zijn dat de jonge vrouwen. Hierbij is er aanleiding tot optimisme gezien de goede onderwijsprestatie van meisjes en gezien hun ideeën over emancipatie en verdeling van arbeid en zorg.
Ten aanzien van laagopgeleide vrouwen constateert de commissie dat deze groep nog het meest een traditioneel leven leidt, dat wil zeggen veel minder betaald werkt en veel vaker stopt met werken na de geboorte van een eerste kind. Hierdoor is hun sociaal-economische positie kwetsbaar. Deze groep is gediend met het verbeteren van beroepskwalificaties en het bevorderen van het opdoen van werkervaring vóór het moederschap, de verhoging van de kwaliteit van laaggeschoold werk en het door functie- en taaksplitsing creëren van meer werkgelegenheid voor laaggeschoolde vrouwen in onder meer de zorgsector.
Het bovenstaande geldt versterkt voor de verhoudingsgewijs zeer grote groep laagopgeleide Turkse en Marokkaanse vrouwen. Hun sociaal-economische positie is de zwakste. Beleid dient hierbij niet alleen te worden gericht op de betrokken vrouwen, maar ook op allochtone mannen en op hun opvattingen over verdeling van arbeid en zorg.

Het glazen plafond
Belangrijk element in het emancipatiebeleid is de geringe vertegenwoordiging van vrouwen in hogere, leidinggevende functies. Dit wordt ook wel het glazen plafond genoemd. De commissie constateert dat het zogenoemde glazen plafond een hardnekkig fenomeen is dat een gevolg is van een subtiel en complex samenstel van factoren. Naast het benadrukken van de eigen verantwoordelijkheid van vrouwen, vergt doorbreking van het plafond dan ook een mix van maatregelen.


1Het gaat om een ontwerpadvies dat nog in de achterbannen van de in de raad vertegenwoordigde organisaties moet worden besproken.


Noot voor de redactie: voor nadere informatie Stafafdeling Voorlichting 070-3499647