Home | Actueel | Persberichten | 2000-2009 | 2000 | Verslag raadsvergadering 16 juni 2001

Verslag raadsvergadering 16 juni 2001

16 juni 2000

De SER heeft vandaag unaniem een advies vastgesteld over het sociaal-economisch beleid op de middellange termijn 2000-2004. Daaraan voorafgaand voerde CNV-bestuurder Van Splunder in het kader van het agendapunt Actualiteiten het woord over de algemeenverbindendverklaring van CAO’s in het licht van het mededingingsbeleid.

Algemeenverbindendverklaring CAO’s
CNV-bestuurder K.I. van Splunder reageerde op een bericht in het Financieele Dagblad dat minister Vermeend van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vreest dat de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) gaat tornen aan zijn bevoegdheid om CAO’s algemeen verbindend te verklaren, omdat sommige CAO’s op gespannen voet zouden staan met het verbod op kartelvorming. Met de omvorming van de NMa tot zelfstandig bestuursorgaan zou het kabinet de mogelijkheid verliezen om via de aanwijzingsbevoegdheid van de minister van Economische Zaken de NMa voor te schrijven hoe te handelen.
Van Splunder stelde dat dat de angst van Vermeend niet ongegrond is. Weliswaar staat in artikel 16 van de Mededingingswet dat de NMa geen bevoegdheden heeft ten aanzien van CAO’s, maar deze bepaling geldt slechts tot 2003. Van Splunder stelde daarom voor in de Mededingingswet te regelen dat deze tijdelijke bepaling wordt omgezet in een bepaling voor onbepaalde tijd. Een andere mogelijkheid die hij opperde was in deze wet te regelen dat de NMa alleen mag ingrijpen in CAO’s na goedkeuring van de minister van Economische Zaken (die verantwoordelijk is voor het mededingingsbeleid) en dat die goedkeuring alleen gegeven kan worden met instemming van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (die verantwoordelijk is voor de algemeenverbindendverklaring). Hij wees erop dat de Stichting van de Arbeid in februari hierover nog een brief aan de minister heeft geschreven.

Sociaal-economisch beleid op de middellange termijn 2000-2004
In het unanieme advies over over het middellangetermijnbeleid bepleit de SER te investeren in kennis en kwaliteit. De raad acht een omslag in het sociaal-economische beleid nodig van kwantiteit naar kwaliteit en van nazorg naar voorzorg. Doel moet zijn versterking van de sociaal-economische structuur van de Nederlandse samenleving. Zo vraagt de kenniseconomie goed opgeleide schoolverlaters, dient in de sociale zekerheid langdurige inactiviteit te worden voorkomen en op milieugebied een deltaplan voor duurzame energie te worden opgesteld en uitgevoerd. Bij een omslag van nazorg naar voorzorg past ook een versterking van het kennis- en innovatiebeleid en een budgettair beleid dat voldoende rekening houdt met de kosten van de vergrijzing.

VNO-NCW-voorzitter mr. J.H. Schraven voerde het woord namens alle ondernemersvertegenwoordigers. Hij vond het advies een mijlpaal, omdat het voor het eerst is dat de sociale partners unaniem zijn over het toekomstige budgettaire beleid. Belangrijk vond hij de aandacht voor de omslag van het herstellen van de grote beleidsfouten uit het verleden naar het voorkomen van problemen in de toekomst. Ook onderschreef hij het hoge ambitieniveau van het advies, omdat “kiezen voor goed beleid ook een kwestie van ambitie is”. Schraven zei niet bang te zijn voor oververhitting, nu het economisch zo goed gaat. Hij waarschuwde wel voor het gevaar van de loerende loon-prijsspiraal en het risico van loonkostenversnelling ten opzichte van het buitenland: “Grote euforie over de gunstige economie kan hier een slechte raadgever zijn, dat weten we nog heel goed van begin jaren negentig.”

FNV-bestuurder drs. H.T. van der Kolk onderschreef dat met dit advies een mijlpaal is bereikt, temeer daar het niet om een geforceerd compromis gaat, maar om standpunten die alle partijen ook echt willen uitdragen. Hij ging ondermeer in op de knelpunten op de arbeidsmarkt, zoals de armoedeval. Hij pleitte voor een gecombineerde aanpak van de armoedeval en de armoedeproblematiek door een stuk van de huursubsidie om te zetten in een generieke netto inkomensverbetering. Wat het budgettaire beleid betreft moet volgens de FNV de komende jaren het accent worden gelegd op structuurversterkende investeringen in het onderwijs en de gezondheidszorg en ter bestrijding van de armoede. Hij verwelkomde de keuze voor een voorzichtige trendmatige groei als basis van het begrotingsbeleid gekoppeld aan de beleidsuitspraak dat de gekozen budgettaire systematiek op zich geen belemmeringen mag opwerpen voor een groei van de collectieve uitgaven in lijn met de trendmatige welvaartsontwikkeling. Van der Kolk: “Er is alle reden, nu de financiële buffers inmiddels op orde zijn en de bezuiniging op de collectieve sector zijn grenzen heeft bereikt, om het behoedzame scenario te verlaten en uit te gaan van realistischer uitgangspunten. Zo wordt voorkomen dat de collectieve sector wordt geprogrammeerd op een lage groei, waardoor deze permanent in een te krappe jas moet lopen.” De FNV denkt op dit moment bij een voorzichtig trendmatig scenario aan een voorzichtigheidsmarge van 0,25 procentpunt ten opzichte van de trend in combinatie met een voldoende ruime uitgavenreserve.

CNV-bestuurder K.I. van Splunder was van mening dat ondanks de huidige krappe arbeidsmarkt niet allerlei sociale regelingen ter discussie moeten worden gesteld. De behoeften van bedrijven mogen niet maatgevend zijn, vond hij. Ook verzette hij zich tegen de maatschappelijke druk op mensen zonder uitkering of werknemers met een kleine deeltijdbaan om tegen hun zin betaalde arbeid te gaan verrichten of hun arbeidstijden te verruimen. “Uitgangspunt moet zijn de bevordering van werkgelegenheid, zodat mensen die willen werken daartoe de gelegenheid krijgen en het beroep op de sociale zekerheid wordt beperkt,” aldus Van Splunder. Evenals de FNV vond hij dat de armoedeval moet worden bestreden zonder dat daardoor de armoede wordt vergroot. Hij signaleerde dat het met economisch Nederland goed gaat, maar dat er tegelijkertijd sprake is van een toegenomen inkomensongelijkheid en dat het armoedepercentage nauwelijks is afgenomen. Het advies zou hij dan ook het motto willen meegeven van “Investeren nu het kan”.

Unie mhp-voorzitter A.H. Verhoeven was tevreden dat het SER-advies kiest voor voorzichtigheid, maar ook voor meer realiteit. Hij hield de raad voor dat we in het verleden met zijn allen een tekort hebben laten ontstaan. Dit tekort moeten we nu inlopen om de vergrijzing het hoofd te bieden. Verhoeven: “Of dit nu gaat via het AOW-spaarfonds of via terugdringing van de staatsschuld is meer een zaak voor de technici. Voor ons staat voorop dat we de toekomst ook voor onze generaties willen veiligstellen.” Structuurversterkende maatregelen als wigverkleining ook voor de middengroepen vond hij absoluut noodzakelijk. “De armoedeval lijkt steeds meer in de buurt te komen van de middengroepen en de wig voor deze inkomenscategorieën is te groot in internationaal perspectief.”

Het kroonlid prof.dr. A.H.J. Kolnaar zei het niet eens te zijn met de stelling in het advies dat vergrijzing noopt tot een begrotingsoverschot. Hij vond dat niet juist, omdat de lasten van de vergrijzing veel meer zijn dan een financieel probleem.

Het kroonlid prof.dr. K.P. Goudswaard onderstreepte het grote belang van investeren in de kenniseconomie, via zowel een brede als een diepe strategie. Goudswaard voorzag dat er binnenkort meer hoger opgeleiden nodig zijn, op minimaal bachelorsniveau. Aangezien er nu al een grote uitstroom uit VWO en HAVO komt, zou dit vooral een grotere uitstroom uit het MBO vergen. Daarnaast moet de kennisinfrastructuur worden versterkt en kennis toegankelijker worden gemaakt voor het bedrijfsleven. Het begrotingsoverschot moet volgens hem worden aangewend voor versterking van de sociaal-economische structuur en voor de opvang van de toekomstige vergrijzingslasten. Wat dit laatste betreft verschilde hij dus van mening met Kolnaar.

President van De Nederlandsche Bank dr. A.H.E.M. Wellink sprak van een goed en consistent advies dat op een uitstekend moment wordt uitgebracht, omdat de Nederlandse economie zich momenteel bevindt in een veranderende omgeving: Europa komt institutioneel en economisch op stoom, de arbeidsmarkt is krap, de invloed van ICT en innovatie op de economie lijkt aan kracht te winnen en de vergrijzing begint eraan te komen. Hij vond de ontwikkelingen in de WAO zorgelijk, maar niet onoplosbaar. Het bestrijden van de langdurige werkloosheid krijgt terecht veel aandacht, waarbij gesubsidieerde arbeid een rol kan spelen, mits de doorstroom naar regulier werk in de marktsector centraal staat. Op de kortere termijn brengt de krapte op de arbeidsmarkt het risico van oververhitting met zich en daarmee van bovenmatige prijs- en loonstijgingen. Op de langere termijn kan dit het terugleiden van inactieven naar de arbeidsmarkt belemmeren, waardoor het nog aanwezige groeipotentieel van de Nederlandse economie niet ten volle kan worden benut. Voorzichtigheid is hierbij heel belangrijk, vond hij.

SER-voorzitter dr. H.H.F. Wijffels , die tevens de commissie van voorbereiding had voorgezeten, zei tevreden te zijn over het advies en de bereikte unanimiteit en dankte de commissieleden voor hun positieve instelling.


Noot voor de redactie
Voor nadere informatie: Mariek de Valk, 070-3499648.