24 mei 2000
Naast hogere pensioenresultaten zijn sinds 1987 ook veel inhoudelijke verbeteringen van de pensioenregelingen gerealiseerd, zoals een verlaging van de franchise en meer aandacht voor individualisering en flexibilisering. Dit staat in de Pensioenkaart Nederland, Stand van zaken en vergelijking met 1987, die vanochtend is aangeboden door prof.dr. L.F. van Muiswinkel aan staatssecretaris Hoogervorst van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en aan SER-voorzitter Wijffels
De Pensioenkaart biedt een overzicht van de stand van zaken van de kwaliteit van pensioenregelingen in 1999 en de ontwikkelingen daarin sinds het verschijnen van de vorige Pensioenkaart eind jaren tachtig. De vele veranderingen in die periode hebben hun weerslag op de huidige pensioenregelingen. Sociale partners zijn goed in staat gebleken op die veranderingen in te spelen.
Hogere pensioenresultaten
Dat de maximaal haalbare pensioenresultaten vergeleken met 1987 een stuk hoger liggen, komt vooral door een verlaging van de franchise in de loop van deze periode. Dit betekent niet dat iedereen ook daadwerkelijk een hoger pensioen zal krijgen, want niet iedereen zal een volledig pensioen opbouwen. Dat komt doordat niet iedereen de maximale deelnemerstijd haalt, bijvoorbeeld door het werken in deeltijd, door het wisselen van baan of door loopbaanonderbrekingen. De huidige pensioenresultaten sluiten vergeleken met de situatie in 1987 beter aan bij de situatie van alleenstaanden.
Franchise
Aan de sinds 1987 optredende verlaging van de franchise lijkt de afgelopen drie jaar een einde te zijn gekomen. Bijna de helft van de werknemers heeft nu een franchise boven 29.000 gulden, 39 procent zit daaronder en 13 procent heeft geen franchise. Voor de meesten zal in de nabije toekomst geen structurele wijziging van de franchise meer plaatsvinden.
Soorten pensioenregelingen
Vergeleken bij 1987 zijn er nu veel meer middelloonregelingen en gemitigeerde eindloonregelingen. De helft van de mensen heeft een gemitigeerde eindloonregeling, een kwart heeft een middelloonregeling, 12 procent een zuivere eindloonregeling, 10 procent een combinatieregeling, 1 procent een beschikbare premieregeling en 1 procent een vastebedragenregeling.
Flexibilisering
Veel pensioenregelingen maken het mogelijk voor het 65e jaar met pensioen te gaan (flexibele pensioengerechtigde leeftijd). Andere vormen van flexibilisering en individualisering van pensioenregelingen komen relatief langzaam van de grond. Ongeveer eenderde van de mensen kan het nabestaandenpensioen omzetten in ouderdomspensioen, terwijl het omgekeerde op dit moment voor 10 procent van de mensen mogelijk is.
Andere verbeteringen
In veel pensioenregelingen worden de rechten op pensioen aangepast aan de inflatie. Ook voor gepensioneerden en slapers zijn veelal gereglementeerde aanpassingen van opgebouwde rechten tot stand gekomen. Tevens hebben verreweg de meeste deelnemers een pensioenregeling zonder beperkende bepalingen ten aanzien van het nabestaandenpensioen van deelnemers die op latere leeftijd aan de pensioenregeling gaan deelnemen. Wanneer een werknemer arbeidsongeschikt of werkloos raakt, is er vrijwel altijd voortzetting van de opbouw van het ouderdomspensioen en de risicodekking van het nabestaandenpensioen.
Tot slot
Tezamen met het onderzoek naar ontbrekende pensioenvoorzieningen (witte vlekken) uit 1997 geeft de SER met de Pensioenkaart een actueel overzicht van de stand van zaken van aanvullende pensioenregelingen in Nederland. De Pensioenkaart spreekt echter nadrukkelijk geen waarde-oordeel uit over wat goede of slechte pensioenregelingen zijn.
In een bijlage bij dit persbericht staat een beknopt overzicht van enige conclusies uit het onderzoek, dat is uitgevoerd door Research voor Beleid.
Pensioenkaart Nederland, Stand van zaken en vergelijking met 1987
2000, uitg. SER, ISBN 90-6587-744-4, 244 pp.,
prijs ƒ 25,-
Noot voor de redactie
Voor nadere informatie: Mariek de Valk, tel. 070-3499648.
Enige conclusies van de Pensioenkaart
- De pensioenresultaten liggen gemiddeld een stuk hoger dan in 1987. Dit wordt vooral veroorzaakt door een verlaging van de franchise in de loop van deze periode. Aan deze daling is de laatste drie jaar een einde gekomen. De huidige pensioenresultaten sluiten beter aan bij de situatie van alleenstaanden. Hoewel de verlaging van de franchise ook tot een verbetering bij tweeverdieners heeft geleid, kan deze groep over het algemeen bij maximale deelnemerstijd geen pensioenresultaat van 70% van het laatstverdiende inkomen halen. Vrouwen en deeltijders scoren op dit punt beter, vooral door hun doorgaans lagere salaris en door hun deelname aan pensioenregelingen met gemiddeld een lagere franchise.
- Bijna de helft van de deelnemers heeft een franchise boven 29.000 gulden, 39% zit daaronder en 13% heeft geen franchise. De laatste drie jaar is de franchise voor de meeste deelnemers gelijk gebleven of gestegen. Voor driekwart zal in de toekomst geen structurele wijziging van de franchise plaatsvinden op grond van beleidsmatige overwegingen. Voor zover dat wel gebeurt, is dat eerder een verlaging dan een verhoging.
- In vergelijking tot het witte vlekkenonderzoek uit 1997 is de omvang van de witte vlek met ongeveer 9% gelijk geblijven. Aangezien dit onderzoek zich richt op werknemers die wel pensioen opbouwen, bevat het verder alleen informatie over toetredingsdrempels en uitsluitingsgronden in pensioenregelingen.
- De helft van de deelnemers heeft een gemitigeerde eindloonregeling, een kwart een middelloonregeling. De overige deelnemers hebben een zuivere eindloonregeling (12%), een combinatieregeling (10%) of een beschikbare premie- of vastebedragenregeling (beide 1%). Ten opzichte van 1987 zijn er nu veel minder zuivere eindloonregelingen en veel meer gemitigeerde eindloonregelingen- en middelloonregelingen. De combinatieregelingen bestonden destijds nog niet in de huidige betekenis.
81% van de deelnemers haalt een bruto nabestaandenpensioenresultaat van 60% of meer indien de nabestaande recht heeft op een volledige Anw-uitkering; is dat niet het geval dan haalt 70% van de deelnemers een resultaat van maximaal 30% van het inkomen; de Anw-uitkering heeft met andere woorden een grote invloed op het nabestaandenpensioen.
- Zowel aanpassingen van opgebouwde rechten als aanspraken bij bijzondere situaties zijn over het algemeen goed geregeld.
Individualisering en flexibilisering van pensioenregelingen komen relatief langzaam tot stand, met uitzondering van de flexibele pensioengerechtigde leeftijd die al veel voorkomt of binnenkort gerealiseerd wordt. Ongeveer eenderde heeft op dit moment de mogelijkheid tot omzetting van nabestaandenpensioen in ouderdomspensioen, de omzetting van tijdelijke ouderdoms- in nabestaandenpensioenen en omgekeerd komt met 10% weinig voor.
- Eenderde van de deelnemers heeft geen risicodekking van het nabestaandenpensioen tijdens onbetaald ouderschapsverlof. Risicodekking van het invaliditeitspensioen is voor bijna de helft van de deelnemers geregeld. Opbouw van ouderdomspensioen is beter geregeld, meestal voor rekening van de deelnemer. Voor zorgverlof en sabbatical leave is aanzienlijk minder geregeld.