Home | Actueel | Persberichten | 2000-2009 | 2000 | SER in ontwerpadvies over middellangetermijnbeleid: investeren in kennis en kwaliteit

SER in ontwerpadvies over middellangetermijnbeleid: investeren in kennis en kwaliteit

19 mei 2000

Er is een omslag in het sociaal-economische beleid nodig van kwantiteit naar kwaliteit en van nazorg naar voorzorg. Doel moet zijn versterking van de sociaal-economische structuur van de Nederlandse samenleving. Zo vraagt de kenniseconomie goed opgeleide schoolverlaters, dient in de sociale zekerheid langdurige inactiviteit te worden voorkomen en op milieugebied een deltaplan voor duurzame energie te worden opgesteld en uitgevoerd. Bij een omslag van nazorg naar voorzorg past ook een versterking van het kennis- en innovatiebeleid en een budgettair beleid dat voldoende rekening houdt met de kosten van de vergrijzing.

Dit staat in een ontwerpadvies1 over het sociaal-economische beleid op de middellange termijn 2000-2004. Het is ter bespreking toegezonden aan de achterbannen van de organisaties. Het is opgesteld door de Commissie Sociaal-Economisch Beleid, onder voorzitterschap van SER-voorzitter dr. H.H.F. Wijffels. Het is een reactie op een adviesaanvraag van 25 oktober 1999 van minister Jorritsma van Economische Zaken, namens het kabinet. Het ontwerpadvies zal worden besproken in de raadsvergadering van vrijdag 16 juni.

De commissie constateert dat het langjarige consistente beleid van overheid en sociale partners een aantal grote economische problemen – slechte positie overheidsfinanciën, hoge werkloosheid, geringe economische dynamiek - tot hanteerbare proporties heeft teruggebracht. De materiële welvaartsontwikkeling is de afgelopen jaren bevredigend geweest. Op sociaal en ecologisch terrein moeten echter nog flinke inspanningen worden verricht. Teveel huishoudens zijn van een uitkering afhankelijk. Verder is de milieukwaliteit nog onvoldoende en moet de kwaliteit van de (natuurlijke) leefomgeving worden verbeterd.
Er zijn ook nieuwe beleidsuitdagingen. Deze hangen onder meer samen met de overgang naar een kenniseconomie en informatiemaatschappij. Daarnaast vragen de economische dynamiek, het proces van Europese eenwording en de toenemende mondigheid van de burger om institutionele vernieuwingen. Zo moeten instituties als het onderwijs en de gezondheidszorg aan de veranderende omstandigheden worden aangepast. Knelpunten op deze terreinen hangen slechts gedeeltelijk samen met een gebrek aan financiële middelen. Van even groot belang zijn organisatorische en institutionele starheden. Alleen als deze starheden worden weggewerkt, kunnen diensten van goede kwaliteit worden geleverd die aansluiten bij de veranderende maatschappelijke behoeften. Organisaties die adequater op veranderende eisen inspelen zijn bovendien aantrekkelijker voor werknemers.

Kenniseconomie
De commissie vindt dat het kabinet een ambitieuzer kennis- en innovatiebeleid moet voeren en verwijst hierbij naar de afspraken die zijn gemaakt tijdens de Europese Top in Lissabon van afgelopen maart. Daar werd als nieuw strategisch doel gesteld dat de EU de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie van de wereld moet worden. Om de kennisinfrastructuur te versterken beveelt de commissie aan het wetenschappelijk onderzoek een extra impuls te geven door een verhoging van het budget van NWO. Ook moet de flexibiliteit en marktgerichtheid van het universitair onderzoek worden vergroot en moeten bedrijven via publiek-private samenwerking meer worden betrokken bij de programmering van fundamenteel onderzoek. Verder wil de commissie dat het budget van de Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk wordt verruimd.
Wat het onderwijs betreft bepleit de commissie specifieke investeringen voor de bevordering van ICT in het onderwijs en een versterking van de kennisuitwisseling tussen onderwijsinstellingen en het bedrijfsleven. Onderwijsinstellingen dienen een interactief kennisknooppunt te worden tussen het aanbod van en de vraag naar goed opgeleide werknemers.

Arbeidsmarkt
De ontwikkeling richting kenniseconomie stelt hogere eisen aan werknemers. De commissie onderstreept de noodzaak van een ‘leven lang leren’ als onderdeel van het employability -beleid. Dit beleid moet beter in de praktijk worden verankerd. Het instrument van de Erkenning van de Verworven Competenties (EVC) kan hierbij een belangrijke rol spelen; feitelijk aanwezige kennis en vaardigheden krijgen dan een formele erkenning. Gerichte beleidsinspanningen om personeelstekorten in de onderwijssector en bij de ICT-beroepen aan te pakken, krijgen de steun van de commissie.
Terugdringing van de langdurige werkloosheid moet volgens de commissie zijn beslag krijgen via een samenhangende benadering. Hierin zijn het lonend maken van betaald werk (vermindering van de werkloosheid- en armoedeval) en een sluitende aanpak centrale elementen.

Milieu
Om economische groei en milieuverbetering beter samen te laten gaan, zijn inspanningen op diverse terreinen gewenst. Beleidsintensiveringen betreffen het instrumentarium (de inpassing van marktconforme instrumenten), een nauwere Europese beleidsafstemming en een betere benutting van technologische mogelijkheden. Daarnaast roept de commissie het kabinet op invulling te geven aan het door de SER bepleite deltaplan voor een duurzame energievoorziening.

Bugettair beleid
Het budgettaire beleid heeft de dubbele taak om ruimte te maken voor de genoemde uitdagingen en bovendien te anticiperen op de kosten van de vergrijzing. Uitgaande van een gunstige uitgangspositie aan het eind van deze kabinetsperiode acht de commissie het mogelijk om structuurversterkende uitgaven en lastenverlichting te combineren met een adequate reservering voor de oude dag. Een gunstige budgettaire uitgangspositie maakt het voorts mogelijk om de budgettaire systematiek op enkele punten bij te stellen.


1Het gaat om een ontwerpadvies. De standpunten die hier worden weergegeven, zijn die van de commissie van voorbereiding.


Noot voor de redactie
Voor nadere informatie: Mariek de Valk, 070-3499648.