6 april 2000
De SER doet in een ontwerpadvies aan de Tweede Kamer enkele voorstellen ter compensatie van de gevolgen van een onvolledige AOW-opbouw. Dit is vooral van belang voor immigranten die op hun 65ste minder dan 50 jaar in Nederland wonen en naast hun onvolledige AOW niet of nauwelijks andere inkomsten hebben.
Dit staat in het ontwerpadvies1 Onvolledige AOW-opbouw dat de raad in zijn vergadering van vrijdag 19 mei zal bespreken. Het is - in reactie op een adviesaanvraag van de Tweede Kamer van 16 december 1999 - opgesteld door een werkgroep van de Commissie Sociale Zekerheid, onder voorzitterschap van prof.dr. K.P. Goudswaard. Het is de eerste keer dat de Tweede Kamer de SER advies heeft gevraagd sinds het parlement die bevoegdheid kreeg in januari 1997. Het ontwerpadvies is voor bespreking toegezonden aan de achterbannen van de organisaties.
De werkgroep beschouwt het probleem van een onvolledige AOW-opbouw vooral als een inkomensprobleem; het hangt samen met het ontbreken van voldoende inkomsten (zoals uit aanvullend pensioen) naast een onvolledige AOW-uitkering. Het betreft vooral immigranten met een inkomen dat, te samen met een eventueel pensioen, lager is dan het sociaal minimum. Zij doen daarom een beroep op aanvullende bijstand. Het gaat naar schatting om ongeveer 16.000 huishoudens, waarbij geen rekening is gehouden met het niet-gebruik van de bijstandsverlening. In de toekomst kan deze groep toenemen.
De werkgroep stelt specifieke maatregelen voor om te voorkomen dat personen met een onvolledige AOW-uitkering een beroep moeten doen op aanvullende bijstand. Zij maakt onderscheid tussen huidige en toekomstige AOW-gerechtigden.
Voor huidige AOW-gerechtigden met een onvolledige AOW-uitkering stelt de werkgroep voor het normbedrag in de bijstand voor vrijlating van inkomsten uit een aanvullend pensioen beperkt te verruimen. Zij gaat er daarbij ten principale van uit dat een inkomen uit een onvolledige AOW-uitkering én een aanvullende bijstandsuitkering toereikend is om te voorzien in het bestaansminimum. De werkgroep erkent dat haar voorstel geen soelaas biedt voor personen zonder aanvullend pensioen. Daarom moeten nog andere mogelijke maatregelen worden onderzocht. Ook dient het niet-gebruik van bijstand onder 65-plussers met een buitenlandse nationaliteit te worden voorkomen.
De toekomstige AOW-gerechtigden kunnen volgens de werkgroep in het algemeen het komende AOW-gat nog zelf repareren of compenseren. Zij wil de AOW-inkoopregeling effectiever maken door de periode (nu: één jaar) waarin betrokkenen het beroep op de inkoopregeling kunnen afwegen te verlengen (bijvoorbeeld naar 5 of 10 jaar) en door het tarief voor in te kopen verzekeringsjaren te veranderen. Daarnaast pleit de werkgroep voor een bevordering van de mogelijkheden voor vrijwillige inkoop van fiscaal gefacilieerde pensioenrechten in aanvullende pensioenregelingen. Ook stelt zij een verruiming voor van de mogelijkheden voor het fiscaal gefacilieerd inhalen van tekorten in de AOW-opbouw via het lijfrenteregime. Verder beveelt de werkgroep aan dat de overheid en de uitvoeringsinstanties immigranten tijdig informeren over de mogelijkheden om een tekort in de AOW-opbouw te compenseren.
Ten slotte vindt de werkgroep dat op enig moment en in breder verband moet worden bezien of de huidige AOW-opbouwsystematiek nog adequaat is, in het bijzonder de opbouwperiode van 50 jaar. Daartoe wijst zij op de veranderende arbeids-, migratie- en leefpatronen. Ook constateert zij dat de maatschappelijke omstandigheden anders zijn dan ten tijde van de invoering van de AOW. Toen was het voor velen gebruikelijk om vanaf ongeveer het vijftiende levensjaar te gaan werken, waardoor mensen op hun 65ste een arbeidsverleden van 50 jaar hadden opgebouwd.
Noot voor de redactie
Voor nadere informatie: Mariek de Valk, tel. 070-3499648.
1Het gaat om een ontwerpadvies. De standpunten die hier worden weergegeven, zijn die van de werkgroep van voorbereiding.
Het gaat om een ontwerpadvies. De standpunten die hier worden weergegeven, zijn die van de werkgroep van voorbereiding.