5 april 2000
Instrumenten gericht op (arbeids)integratie van etnische minderheden worden niet consequent uitgevoerd en onvoldoende benut. Rijksoverheid, gemeenten en sociale partners moeten bestaande instrumenten, gericht op verbetering van de (arbeids)integratie van minderheden, effectiever inzetten. Het gaat zowel om het arbeidsmarktbeleid, als om effectief onderwijs en de inburgering van nieuwkomers. Van etnische minderheden mag in dat geval worden verwacht dat ook zij hun verantwoordelijkheid nemen. De gunstige arbeidsmarkt biedt hiertoe vele mogelijkheden. Het gaat om kansen geven, maar uitdrukkelijk ook om kansen nemen.
Dit staat in het ontwerp-advies Intensivering arbeidsmarktbeleid etnische minderheden dat de raad in zijn vergadering van 28 april a.s. zal bespreken. Het advies is een antwoord op de adviesaanvraag die de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid mede namens zijn collega de minister voor Grote Steden en Integratiebeleid eind december 1999 aan de raad stuurde. Het is voorbereid door de commissie Arbeidsmarktvraagstukken onder voorzitterschap van prof. dr. J.M.G. Leune.
Arbeidsmarktbeleid
De commissie oppert een tweetal aanscherpingen van het scholingsbeleid voor werkzoekenden en werkenden:
- Ten eerste de ontwikkeling van nieuwe leertrajecten voor personen ouder dan 27 jaar die niet via het reguliere onderwijs een minimaal beroepsniveau hebben kunnen behalen. Een dergelijk nieuw leerwerktraject dient alsnog op te leiden tot een startkwalificatie. In het tripartiete platform Employability-agenda zou dit voorstel nader uitgewerkt moeten worden.
- Ten tweede stelt de commissie voor om voor alle werkenden de fiscale scholingsaftrek voor de opscholing naar het basisberoepsniveau op 40 procent te stellen.
De commissie verwacht dat relatief veel etnische minderheden hiervan kunnen profiteren
Verder zullen uitkeringsinstanties (zoals gemeenten) en bemiddelaars (zoals Arbeidsvoorziening) beter moeten samenwerken en instrumenten consequent en voor iedereen moeten toepassen. Nieuw beleid is onnodig zolang het bestaande beleid nog niet goed wordt toegepast. Vrijblijvendheid moet worden uitgebannen. Het grotestedenbeleid en het arbeidsmarktbeleid van sectoren en branches zijn belangrijke kaders om de samenwerking verder vorm te geven. Nieuwe wegen moeten worden bewandeld om werkzoekenden uit de minderheden op het spoor te komen en te activeren. Vooral de inschakeling van contactpersonen uit de minderheden biedt hierbij perspectieven. Bedrijven zouden voorts een personeelsbeleid moeten voeren dat meer rekening houdt met culturele verschillen teneinde werknemers uit de minderheden binnen te halen en binnen te houden; ook om een goede uitvoering van de Wet SAMEN te bereiken.
Inburgeringsbeleid
De commissie pleit voor meer maatwerk in inburgeringstrajecten zodat rekening wordt gehouden met de verschillende achtergronden van de zeer diverse groep nieuwkomers.
Om de effectiviteit van het taalonderwijs te verbeteren doet de commissie drie aanbevelingen:
- Laat het taalonderwijs beter aansluiten bij het opleidingsniveau van de nieuwkomers;
- Onderzoek de mogelijkheid het taalonderwijs te concentreren in een kortere periode;
- Bezie of een nieuwkomer reeds voor voltooiing van de taalcursus naar arbeid kan worden bemiddeld en bijvoorbeeld via de beroepsbegeleidende leerweg arbeid en (taal)scholing in een vroeger stadium kan combineren.
De commissie bepleit voorts asielzoekers nog tijdens de toelatingsprocedure te laten deelnemen aan inburgeringstrajecten en, meer in het algemeen, deze procedure te versnellen.
Onderwijs: het belang van een goede start
Veel kinderen uit de minderheden beginnen met een taal- en ontwikkelingsachterstand aan het basisonderwijs. Om deze aanvangsachterstanden gericht tegen te gaan stelt de commissie voor om één instelling (gedacht wordt aan het bestaande consultatiebureau) de taak te geven om alle jonge kinderen te volgen. Indien een taal- of ontwikkelingsachterstand blijkt dient steeds aan deze kinderen en hun ouders een educatieve voorziening aangeboden te worden.
Om te bereiken dat kinderen die toch met een aanvangsachterstand aan het onderwijs beginnen, die achterstand kunnen inlopen, heeft de commissie een groot aantal aanbevelingen geformuleerd die gericht zijn op de verbetering van de kwaliteit van het onderwijs. De commissie bepleit via het landelijk beleidskader een gerichtere en effectiever inzet van onderwijsachterstandsmiddelen te waarborgen. Ook schaart de commissie zich achter de introductie van leerstandaarden (het precies aangeven van datgene wat alle leerlingen zeker zouden moeten weten) zoals bepleit door de Onderwijsraad.
In het basis- en voortgezet onderwijs vindt de commissie het noodzakelijk om zo spoedig mogelijk op alle scholen met achterstandsleerlingen samen te werken aan kwaliteitsverbeteringen en succesvolle onderwijsmethoden in te voeren.
In het gehele onderwijs moeten leerlingen uit de minderheden, bijvoorbeeld via goed begeleide en geëvalueerde stages en het expliciet aandacht besteden aan de Nederlandse arbeidsverhoudingen in de curricula, beter worden voorbereid op de arbeidsmarkt.
Noot voor de redactie
Voor meer informatie kunt u terecht bij voorlichter Hans Prakke (070-3499 646)