Home | Actueel | Persberichten | 1998-1999 | 1999 | Verslag raadsvergadering 17 september 1999

Verslag raadsvergadering 17 september 1999

17 september 1999

De raad heeft in zijn vergadering van 17 september twee adviezen vastgesteld: Bijzondere verhoging minimumloon en Markt en overheid. Hij besprak tevens het rapport van de Commissie Sociaal-Economische Deskundigen Gezondheidszorg in het licht van de vergrijzing. Daaraan voorafgaand wisselde men, in het kader van het agendapunt 'Actualiteiten', van gedachten over de inkomensproblematiek, de belastingplannen van het kabinet en het kabinetsvoornemen de Vestigingswet af te schaffen.

Actualiteiten

FNV-voorzitter De Waal ging in op de boosheid van de vakbeweging over de inkomensontwikkeling (optieregelingen e.d.) in de toppen van de bedrijven. Binnen de Stichting van de Arbeid zijn onlangs afspraken gemaakt om hier een einde aan te maken. De Waal: "Dit akkoord biedt geen garantie voor ontsporingen, maar is slechts een intentieverklaring. Er dient dus wel een verificatie plaatsvinden. Wij pleiten daarom voor openbaarmaking van alle inkomens. Wij willen gewoon weten hoe de toppen in de bedrijven zichzelf belonen." Hij vroeg de kroonleden mee te denken hoe die openbaarmaking geregeld zou kunnen worden.

VNO-NCW-voorzitter Blankert vond dat de discussie over de topinkomens nu een keer "gekapt" moet worden. "Het was niet goed wat er gebeurd is, maar daar zijn we nu mee opgehouden. Als er al optieregelingen zijn, moeten die niet alleen voor de top bestemd zijn." Het per persoon bekend maken wat hij verdient, vond hij niet bijdragen aan de gemoedsrust van de samenleving.
Blankert ging daarna in op de belastingplannen van het kabinet. Hij was verontrust over de zeer korte overgangstermijn die het kabinet voor ogen staat en over het punt dat sparen in brede zin minder aantrekkelijk wordt gemaakt ("Dat is geen goed signaal"). Het kan tot gevolg hebben dat mensen minder bereid zijn geld te investeren in startende ondernemingen. Een pluspunt in zijn ogen is het grotere verschil dat ontstaat tussen werkenden en niet-werkenden. "Het is een kwestie van plussen en minnen. Ik hoop dan ook dat het belastingplan als een evenwichtig pakket uit de Kamer komt."

Prof. Bakker (De Nederlandsche Bank) vond het belastingplan een "fraai stuk werk" dat grote overeenkomsten vertoont met het SER-advies dat daarover is uitgebracht. Hij zag twee pluspunten: het positieve effect op het functioneren van de arbeidsmarkt en de overstap van een synthetisch naar een analytisch belastingstelsel met verschillende boxen. Hij hoopte dat de discussie over koopkrachtplaatjes niet ten koste zou gaan van deze pluspunten. Bakker voorzag wel problemen met de oudedagsparaplu en de vermogensrendementsheffing.

MKB-voorzitter De Boer voerde het woord over de voorgenomen afschaffing van de Vestigingswet. Hij vond het onverstandig het diploma Algemene Ondernemersvaardigheden niet meer verplicht te stellen, omdat uit een onderzoek van MKB en VNO-NCW blijkt dat mensen die zich qua opleiding goed hebben voorbereid het als ondernemer veel beter doen. Hij verwachtte dat niet veel mensen bereid zullen zijn zich vrijwillig te scholen, zodat veel startende ondernemingen gedoemd zullen zijn snel failliet gaan. En dat leidt tot marginalisering van het zelfstandig ondernemerschap. Hij constateerde met spijt dat de SER hierover thans niet om advies wordt gevraagd.
De Boer ging daarnaast in op zijn voorstel asielzoekers te laten werken. Hij was boos over de reactie van FNV-bestuurder Van der Kolk die De Boer opportunisme verweet. Volgens De Boer gaat het in zijn voorstel om een vorm van maatschappelijk ondernemerschap, waarbij asielzoekers "vrijwillig op een zinvolle wijze aan het werk kunnen gaan". MKB-Nederland heeft "maandenlang" onderzoek naar deze materie verricht, aldus De Boer. Hij zei te hopen dat de vakbeweging hieraan wil meewerken.
FNV-bestuurder Van der Kolk zei dat de kern van het voorstel hem wel aansprak, maar de context niet. In de Stichting van de Arbeid heeft de FNV al "minstens een jaar" vergeefs geprobeerd dit onderwerp op de agenda te krijgen, doordat de werkgevers steeds dwarslagen. Dan komt zo'n voorstel wel erg uit de lucht vallen; het MKB-onderzoek was hem dan ook onbekend. Hij verklaarde zich bereid op korte termijn hiervoor samen met de werkgevers om de tafel te gaan zitten, want het gaat om een groot maatschappelijk probleem.

Bijzondere verhoging minimumloon

De raad aanvaardde het advies Bijzondere verhoging minimumloon unaniem. Werkgevers, werknemers en kroonleden zijn het erover eens dat een bijzondere verhoging van het minimumloon en de minimumuitkeringen niet wenselijk is, vanwege de negatieve effecten op de werkgelegenheid. Wel is er volgens de raad aanleiding voor een extra inkomenssteun van 1 procent voor vooral huishoudens met kinderen die op een minimumuitkering zijn aangewezen en langdurige minima.

FNV-bestuurster Jongerius onderstreepte dat het heel bijzonder is dat de raad tot een unaniem advies is gekomen over het minumumloon; dat heeft zich in jaren niet voorgedaan. Daarvoor was het wel nodig om te geven en te nemen. Zij vroeg aandacht voor bestrijding van de armoedeval. Uit een onderzoek van de FNV met de gemeente Rotterdam blijkt dat mensen zodra ze gaan werken de financiële ruimte die ze daardoor krijgen, onmiddellijk weer kwijtraken door het wegvallen van allerlei inkomensafhankelijke regelingen. Jongerius pleitte daarom in navolging van de Commissie Derksen voor vervanging van inkomensafhankelijke regelingen door een generieke inkomensondersteuning. Ze constateerde dat er helaas nog niets gedaan is met de conclusies van deze commissie.

CNV-bestuurster Westerbeek ging in op de minimumjeugdlonen. Samen met de FNV heeft het CNV een petitie aangeboden aan de Tweede Kamer waarin wordt gepleit voor een minimumjeugdloon voor kinderen vanaf 13 jaar en een minimumloon vanaf 21 jaar. De evaluatie van de bijzondere verhoging van het minimumloon is wat haar betreft niet vrijblijvend. Daarnaast pleitte zij voor gerichte armoedebestrijding met een kinderafhankelijke bijstandsuitkering en een hogere uitkering voor langdurige minima.

MHP-voorzitter Verhoeven vond de extra inkomensondersteuning waar het advies voor pleit "een kwestie van beschaving". Over de mogelijk negatieve effecten op de werkgelegenheid van een bijzondere verhoging van het minimumloon merkte hij op dat niet veel personen het minimumloon ontvangen. Hij onderschreef de in het advies opgenomen bezwaren tegen het gebruik van de i/a-ratio in plaats van de in de wet genoemde afwijkingsgronden. Deze geeft op zich onvoldoende zicht op de sociaal-economische situatie. Daarnaast zou de door een vorig (niet paars) kabinet geïntroduceerde socialezekerheidsquote moeten worden gehanteerd, waarbij overigens bij beide indicatoren wel onderscheid moet worden gemaakt tussen de ratio's voor de gehele bevolking en die voor 65-minners, vond hij.

Namens de ondernemersorganisaties sprak de heer Wientjes . Hij was blij dat werkgevers en werknemers bereid waren hun oorspronkelijke standpunten los te laten en met elkaar tot een werkelijke dialoog te komen, geïnspireerd door de onafhankelijke leden van de commissie, waardoor een unaniem advies heeft kunnen ontstaan. Een bruto verhoging van het minimumloon en de minimumuitkeringen is om allerlei redenen niet verstandig, maar de extra inkomenssteun voor langdurige minima en voor gezinnen met kinderen met een minimumuitkering is wèl te rechtvaardigen.

Het kroonlid prof. Goudswaard vond de extra inkomenssteun van 1 procent goed verdedigbaar met het argument dat de contractlonen (waaraan het minimumloon en de minimumuitkeringen gekoppeld zijn) zo'n 3 procent achterblijven bij de verdiende lonen. Hij had enige moeite met het argument dat de verschillen tussen werkenden (tweeverdieners) en niet-werkenden steeds groter worden. Hieraan kleven de nodige haken en ogen.
Het kroonlid Kolnaar , tevens voorzitter van de voorbereidingscommissie, haakte daarop in en stelde voor in SER-verband aandacht te besteden aan de armoedeproblematiek in relatie tot het spanningsveld tussen het behoefteaspect en het arbeidsmarktaspect van het minimumloon.

Markt en overheid

Ook het advies Markt en overheid werd unaniem aangenomen. De raad is het eens over de toetredingsregels waaraan overheden en ondernemingen die een band met de overheid hebben moeten voldoen als zij marktactiviteiten willen verrichten. Ook zijn ze het eens over de instelling van een onafhankelijke toezichthouder voor de naleving van die regels.

MKB-voorzitter De Boer zei dat de werkgevers uiteindelijk "knarsetandend" akkoord zijn gegaan met het advies. Hij stelde uitdrukkelijk de volgende drie voorwaarden waaronder de werkgeversorganisaties met het advies instemmen. Alle aanbevelingen uit het advies moeten snel en adequaat in wetgeving worden vertaald. De voorgestelde toezichthouder moet echt onafhankelijk zijn van de overheid en voldoende (financiële en wettelijke) middelen krijgen om adequaat op te kunnen treden; ditzelfde geldt voor de Nederlandse Mededingingsautoriteit.
Er zal na zo'n twee jaar een evaluatiemoment ingebouwd moeten worden. Als er toch problemen blijven bestaan, opteren de werkgeversorganisaties alsnog voor een verbodsstelsel.

Namens de vakcentrales CNV, FNV en MHP stemde FNV-bestuurder Van der Kolk in met het advies dat hij omschreef als "een werkbaar evenwicht met voldoende aandacht voor de legitimiteit en integriteit van de overheid". Hij legde in zijn beoordeling de nadruk op het primaat van de politiek. "Het gaat primair om de vraag hoe de publieke belangen het beste kunnen worden bevorderd: welke mix van publieke en private activiteiten en verantwoordelijkheden is daartoe het meest geëigend?" Daarbij hoort ook, aldus Van der Kolk, dat de voorgestelde onafhankelijke toezichthouder marginaal toetst en dat dus de integrale (politieke) afweging uitdrukkelijk blijft voorbehouden aan de desbetreffende overheid.

Volgens het kroonlid Don (CPB) is de precieze afbakening tussen publieke taken en marktactiviteiten cruciaal. Hij was ingenomen met het feit dat er niet is gekozen voor een ongeclausuleerd verbod op marktactiveiten van overheden en ondernemingen die een band hebben met de overheid. Hij onderschreef de keuze voor een inhoudelijke toetsing van geval tot geval op basis van een brede belangenafweging. Ook kon hij zich vinden in wetgeving waarin waarborgen worden aangebracht tegen misbruik van machtspositie, gebruik van niet-openbare gegevens en vermenging van functies door de overheid.

Gezondheidszorg en vergrijzing

De raadsleden gaven tijdens de raadsvergadering, volgens afspraak, voor het eerst hun reactie op het CSED-rapport Gezondheidszorg in het licht van de vergrijzing, hoewel het rapport al op 6 september was gepresenteerd aan de pers. Omdat in veel kranten de nadruk was gelegd op het punt dat ouderen meer zouden moeten gaan betalen voor de zorg, benadrukte CSED-voorzitter prof. van Muiswinkel dat dit niet van vandaag op morgen moet gebeuren, maar dat het om een geleidelijk proces gaat. Bovendien staat daar dan een kwaliteitsverbetering tegenover. Het zal vooral gaan spelen vanaf 2010 tot ongeveer 2040, het jaar waarin 65-plussers een kwart deel van de bevolking gaan uitmaken.

Namens de werkgevers wilde VNO-NCW-voorzitter Blankert het beeld nuanceren dat het met de betaalbaarheid van de vergrijzing zou meevallen. Het leek hem niet realistisch uit te gaan van een demografisch bepaalde uitgavengroei van de zorg van slechts 1 procent per jaar, hetzelfde percentage als de afgelopen 10 à 15 jaar. Het leek hem onwaarschijnlijk, gezien de toenemende vergrijzing. Van Muiswinkel reageerde daarop met de opmerking dat de CSED zich baseert op de berekeningen van het Centraal Planbureau en het RIVM: zij komen los van elkaar uit op gemiddeld 1 procent groei, omdat de vergrijzing weliswaar zal toenemen, maar de groei van de bevolking daarentegen zal afnemen. Blankert pleitte verder voor een snelle aanpassing van de huidige rigide regelgeving in de gezondheidszorg ten behoeve van meer keuzevrijheid en eigen verantwoordelijkheid voor de consument. De aanbeveling van de CSED om meer evenwicht te brengen in de verhouding tussen premiebetaling en zorggebruik onderschreef hij: "Zo sla je twee vliegen in één klap: de equivalentie in het stelsel neemt toe èn er treedt een lastenverschuiving op van actief naar inactief, waardoor de wig wordt verkleind en de lastendruk op de factor arbeid afneemt."

CNV-voorzitter Terpstra reageerde namens de werknemers op het CSED-rapport. Hij vond dat het rapport een goede basis vormt voor de beantwoording van de adviesaanvraag die de SER onlangs heeft ontvangen over de toekomst van het stelsel van ziektekostenverzekeringen. Over het punt dat ouderen gezien hun grotere risico meer zouden moeten bijdragen aan de zorguitgaven, wilde hij op dit moment nog geen uitspraak doen. Hij merkte echter wel nadrukkelijk op dat de solidariteit binnen het stelsel van ziektekostenverzekeringen een belangrijke pijler is en blijft voor de vakbeweging. "Onderscheid naar leeftijd is dan ook voor ons niet direct aan de orde," aldus Terpstra.


Noot voor de redactie
Voor nadere informatie: Mariek de Valk, tel. 070-3499648