9 juni 1999
De provincies moeten een sterke sturende rol krijgen in de ruimtelijke inrichting, namelijk als integrerende factor voor een gebiedsgericht beleid. Zij dienen daarop beter te worden toegerust. Op basis van een duidelijke verdeling van taken en (financiële) middelen tussen de verschillende bestuurslagen (rijk, provincie, gemeenten) moet de interbestuurlijke samenwerking worden versterkt.
Dat staat in een ontwerpadvies1 over de Startnota Ruimtelijke Ordening 1999 en de Perspectievennota Verkeer en Vervoer van de bewindslieden van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) respectievelijk van Verkeer en Waterstaat. De Sociaal-Economische Raad (SER) zal het ontwerpadvies op vrijdag 18 juni bespreken. Het ontwerpadvies is opgesteld door de Commissie Ruimtelijke Inrichting en Bereikbaarheid, onder voorzitterschap van SER-voorzitter dr. H.H.F. Wijffels. In deze commissie hebben naast werkgevers, werknemers en onafhankelijke deskundigen tevens deskundigen uit de kring van natuur- en milieuorganisaties zitting.
Het ontwerpadvies geeft een eerste reactie op genoemde nota's, die eerder dit jaar zijn verschenen. Het commentaar valt in twee delen uiteen. Het gaat om te beginnen in op de ruimtelijke visie en de beleidsuitgangspunten, rond thema's als de vitale stad, de geplande corridorontwikkeling en het vitaal landelijk gebied. Vervolgens behandelt het ontwerpadvies sturingsvraagstukken zoals de interbestuurlijke samenwerking en de betrokkenheid van bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties bij de besluitvorming op het gebied van ruimtelijke ordening en verkeersinfrastructuur. Het is doortrokken van de gedachte dat het bevorderen van welvaart zowel om economische als om ecologische vitaliteit vraagt.
Een sterke provincie
De commissie is voorstander van een gebiedsgerichte benadering van ruimtelijke en infrastructurele vraagstukken maar daarvoor is bovengemeentelijke afstemming en samenwerking nodig. Zo signaleert het ontwerpadvies dat de beleidsconcurrentie tussen gemeenten leidt tot het kunstmatig laag vaststellen van grondprijzen voor bedrijventerreinen waardoor bedrijven niet worden geprikkeld doelmatig met de beschikbare grond om te gaan. Er is nu sprake van een 'regionaal gat' in het bestuur en van verkokering van beleid. In een betere interbestuurlijke samenwerking moet flink geïnvesteerd worden. De provincie zal sterker als regisseur en arbiter moeten optreden. Daarvoor is een versterking van positie én capaciteiten van de provincie nodig. Dat vraagt onder meer om decentralisatie van (financiële) middelen, ten gunste van de provincies.
Experimenteergebieden voor evenwichtige corridorontwikkeling
De Startnota stelt, in relatie met een gebundelde verstedelijking, een geplande corridorontwikkeling voor. Het ontwerpadvies gaat in op uitgangspunten en noodzakelijke randvoorwaarden voor een dergelijke ontwikkeling, onder meer in de vorm van een programma van eisen. De commissie meent dat bij de bestemming van grond in een corridorgebied - het brede gebied rond enkele infrastructuurassen - een zorgvuldige afweging van belangen noodzakelijk is, om zowel ruimte te kunnen bieden aan economische potenties als groene functies te beschermen en open ruimte te behouden. De commissie heeft hierbij het beeld van een kralensnoer voor ogen.
Ruimtelijke investeringen in een corridorgebied moeten leiden tot verhoging van de 'toekomstwaarde' van het corridorgebied en de aanpalende gebieden. De toekomstwaarde wordt daarbij bepaald door drie componenten: de economische vitaliteit, de ecologische vitaliteit en de belevingswaarde. Per corridor moet een op te stellen programma van eisen resulteren in een specifieke invulling met eigen zwaartepunten. De commissie beveelt aan de komende jaren planmatig, met ontwerpen in bestuurlijke zin, ervaring op te doen met een beperkt aantal experimenteergebieden voor geplande corridorontwikkeling. Evaluatie van deze ervaringen moet uitwijzen in hoeverre corridorontwikkeling realiseerbaar is en de toekomstwaarde verhoogt. Daarnaast kan het leerzaam zijn fysiek te experimenteren, door herinrichting van reeds bebouwd gebied, in inmiddels ongepland gevormde corridors.
Open aanpak
De commissie bepleit grote zorgvuldigheid bij de besluitvorming over de inrichting en functietoedeling van schaarse ruimte in ons land. Zij is voorstander van een open interactieve aanpak, waarbij private partijen, maatschappelijke organisaties en burgers worden betrokken. Dat komt de kwaliteit van de besluitvorming ten goede, maakt het makkelijker alle belangrijke aspecten in samenhang te bekijken en vergroot het maatschappelijke draagvlak voor het uiteindelijk te nemen besluit. Deze open aanpak dient al te beginnen bij de definiëring van het probleem. De overheid moet de neiging om het maatschappelijk debat te openen met een concreet oplossingsgericht beleidsvoorstel onderdrukken. Vervolgens moet de beste oplossing gevonden worden binnen een door de overheid aangegeven kader. Om de creativiteit te prikkelen moeten daarbij meerdere uitkomsten mogelijk zijn. Tussentijdse onderhandelingsresultaten moeten worden vastgelegd, om vrijblijvendheid en opportunisme en daarmee vertragingen in de besluitvorming te voorkomen. Een gezamenlijke probleemdefiniëring en een besluitvorming die herkenbaar voortbouwt op de oplossingsgerichte inbreng van de samenleving zorgen voor een breed draagvlak voor een voortvarende uitvoering van beleid.
1Het gaat om een ontwerpadvies. De standpunten die hier worden weergegeven, zijn die van de commissie van voorbereiding.
Noot voor de redactie
Nadere informatie bij Jeroen Zonneveld, tel. 070-3499649.