Home | Actueel | Persberichten | 1998-1999 | 1999 | Ontwerpadvies Hoger Onderwijs en Onderzoek Plan 2000-2004: Hoger onderwijs actiever betrekken bij arbeidsmarktknelpunten

Ontwerpadvies Hoger Onderwijs en Onderzoek Plan 2000-2004: Hoger onderwijs actiever betrekken bij arbeidsmarktknelpunten

15 maart 1999

De bestaande en nog te verwachten tekorten aan hoger opgeleid personeel op de arbeidsmarkt zijn reden tot grote zorg. Het hoger onderwijs dient zich meer te (kunnen) richten op nieuwe groepen studenten zoals werkenden en tweedekansers om bij te dragen aan oplossing van de tekorten. Daarvoor is nodig dat de universiteiten en hogescholen zich aanpassen aan de veranderde omstandigheden. De budgetten en wijze van bekostiging van het hoger onderwijs zullen de universiteiten en hogescholen voldoende ruimte moeten bieden bij het ter hand nemen van een actievere rol in de kennissamenleving. De huidige bekostiging(ssystematiek) is daarbij rijp voor een heroverweging.

Dit staat in een unaniem ontwerpadvies1 dat de SER in zijn vergadering van 16 april zal bespreken. Het is opgesteld door een werkgroep onder voorzitterschap van prof.dr. W. van Voorden. Het advies is een reactie op een adviesaanvraag van 21 december 1998 van minister Hermans van OCenW. De raad is gevraagd om een advies uit te brengen ten behoeve van het ontwerp-Hoger Onderwijs en Onderzoek Plan 2000-2004. De adviesvraag is in algemene zin gericht op de vraag welke maatschappelijke ontwikkelingen gevolgen dienen te hebben voor het hoger onderwijs en wat die gevolgen zouden moeten zijn. Meer specifiek vraagt de minister de raad aandacht te besteden aan de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt, de wenselijkheid van een sterkere marktoriëntatie van het hoger onderwijs mede in het licht van de ontwikkeling van Nederland tot kennissamenleving, en de vraag aan welke flexibiliteit van onderwijsprogramma's behoefte is.

Heroriëntatie hoger onderwijs

Volgens de werkgroep nopen de maatschappelijke ontwikkelingen het hoger onderwijs tot een heroriëntering op zijn positie in de samenleving. Als belangrijke ontwikkeling ziet de werkgroep vooral het ontstaan van grote en op termijn nog toenemende tekorten aan hoger opgeleid personeel op de arbeidsmarkt. Deze tekorten bedragen in de periode tot 2003 naar raming reeds 150.000 hbo'ers en 50.000 wo'ers en kunnen in de jaren daarna mogelijk nog verder oplopen tot in totaal bijna 400.000. Andere belangrijke ontwikkelingen zijn de vergrote behoefte aan een flexibel en marktgericht onderwijsaanbod en de snelle ontwikkeling van de op kennis gebaseerde economie. Bij dit laatste signaleert de werkgroep dat de positie van universiteiten en hogescholen als toegankelijke en interactieve kennis- en onderwijscentra voor het bedrijfsleven zal moeten worden verbeterd.

Aangaande de arbeidsmarktknelpunten onderscheidt de werkgroep twee sporen van beleid. Ten eerste het vergroten van de onderwijsdeelname en het vergroten van de rendementen van de reguliere opleidingen. De mogelijkheden die hier liggen - bijvoorbeeld vergroting van de deelname van allochtonen aan hoger onderwijs, verbeteren van de aansluiting van het mbo op het hbo en duale leerwegen - moeten worden benut maar kunnen de tekorten niet oplossen.

Het tweede spoor betreft het op-, om- en bijscholen van de bestaande beroepsbevolking en biedt meer perspectieven. Belangrijkste invalshoeken zijn hier het langer actief houden van oudere werknemers en het opscholen van werkenden en werkzoekenden. Het hoger onderwijs dient hierin een belangrijke rol te spelen. Dit kan door het onderwijs inhoudelijk en organisatorisch op nieuwe groepen (vaak werkende) studenten toe te snijden en voor hen toegankelijker te maken. In dat aanbod dient rekening te worden gehouden met het kennisniveau van de individuele deelnemer en vooral ook met de combineerbaarheid van scholing, werk en zorgtaken. Daarnaast zullen universiteiten en hogescholen zich nog actiever moeten richten op het in samenspraak met bedrijven en instellingen groepsgewijs op-, om- en bijscholen.

Flexibiliteit mag volgens de werkgroep echter niet ten koste gaan van de waarde van de diploma's in het hoger onderwijs noch de juist verbeterde doorzichtigheid van het onderwijsaanbod verminderen.

Randvoorwaarden: mensen, middelen en mogelijkheden

De werkgroep signaleert dat de universiteiten en hogescholen op zichzelf genomen zeer wel bereid zijn om een actievere rol te spelen. Wel is van belang dat zij kunnen beschikken over de juiste mensen, middelen en mogelijkheden . Wat de mogelijkheden betreft acht de werkgroep een verdergaande deregulering noodzakelijk. Vanwege de arbeidsmarkttekorten is thans nodig dat het beleid gericht is op het geven van ruimte. De werkgroep beveelt aan om bestaande restricties in regelgeving die flexibele en klantgerichte scholingsarrangementen hinderen kritisch te bekijken en daarbij ook te kijken naar regelgeving die thans juist ontbreekt. Voorbeeld van dit laatste is het ontbreken van gestandaardiseerde regelingen voor de vaststelling en erkenning van door ervaring verkregen kwalificaties of competenties van werknemers.

Wat de middelen betreft signaleert de werkgroep dat de bezuinigingen voor het wo en vooral, vanwege de stijgende studentenaantallen, voor het hbo leiden tot een ongewenste verzwakking van de positie van waaruit het hoger onderwijs op nieuwe ontwikkelingen moet reageren. Om aan de verwachte toenemende en gevarieerde vraag naar scholing te voldoen en om een actievere rol te spelen in de kennissamenleving, zullen universiteiten en hogescholen het nodige moeten investeren in onderwijsvernieuwing, scholing van het eigen personeel, aantrekken van hooggekwalificeerde nieuwe krachten, et cetera. De werkgroep acht het van belang dat de overheid goed onderscheidt wat de publieke taken van het hoger onderwijs zijn, en daar dan ook een adequate bekostiging tegenover zet. De mogelijkheden van instellingen om met marktactiviteiten 'bij te verdienen' mogen geen aanleiding zijn om te bezuinigen op het publieke takenpakket. Wat de uitvoering van contractonderwijs en -onderzoek betreft onderkent de werkgroep dat dit kan zorgen voor kwaliteitsverbeteringen bij de primaire taakuitvoering (synergie). Daarbij wil de werkgroep wel als voorwaarden stellen dat de uitvoering van contracttaken dient aan te sluiten bij de primaire taken van de instellingen en dat de instellingen de werkelijke kosten aan opdrachtgevers in rekening brengen. Een gedragscode kan hierbij goede diensten bewijzen.

De extra vraag naar scholing vraagt om een flexibele bekostiging en om een aanvullend budget, mede ook om veranderingskosten te dekken. De plannen voor een nieuwe studiefinanciering ondersteunen de wenselijkheid van een nieuwe, flexibelere bekostigingsmethodiek. Thans ligt de totale rijksbijdrage aan het hoger onderwijs vast, en is de verdeling over de instellingen onder meer afhankelijk van het aantal ingeschreven en afstuderende studenten. Meer flexibiliteit kan volgens de werkgroep mogelijk worden gevonden in het directer koppelen van de bekostiging aan de geleverde onderwijsdiensten. Mogelijkheden zijn het koppelen van de bekostiging aan onderdelen van opleidingen (meerdere meetpunten, modulesysteem) of door de bekostiging via de student te laten verlopen.


1Het gaat om een ontwerpadvies. De standpunten die hier worden weergegeven, zijn die van de commissie van voorbereiding.


Noot voor de redactie:
Voor nadere informatie: Mariek de Valk, tel. 070 - 3499 648