2 december 1998
Financiële tegemoetkomingen en andere voorzieningen ter ondersteuning van de Europese sociale dialoog moeten meer op maat worden gesneden, op basis van jaarlijkse werkprogramma's. Daarnaast is het van belang representativiteitscriteria voor organisaties vast te leggen en toe te passen. De verdere ontwikkeling van een actieve, autonome sociale dialoog in de kandidaat-lidstaten van Midden- en Oost-Europa is nodig om een goede toetreding tot de Europese Unie mogelijk te maken.
Dit zijn enkele conclusies van het advies over de Europese sociale dialoog dat de Commissie Internationale Sociaal-Economische Aangelegenheden (ISEA) van de SER heeft vastgesteld. Het advies is een reactie op de Mededeling van de Europese Commissie over De aanpassing en bevordering van de sociale dialoog op communautair niveau van 20 mei 1998. Het advies is geschreven op verzoek van Minister De Vries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en met het oog op de in december op te stellen kabinetsreactie. Waarnemend voorzitter van de Commissie ISEA is prof.mr. P.J. Slot, hoogleraar Europees recht in Leiden.
De Europese sociale dialoog is een soort Europese overlegeconomie. Het gaat om een samenstel van bipartiete en tripartiete advies- en overlegfora. De dialoog bestrijkt daarmee verschillende niveaus, waaronder het interprofessionele en het sectorale. En hij omvat diverse functies: overleg, adviseren (over sociaal-economisch beleid en over regelgeving) en onderhandelen (binnen het stelsel van arbeidsverhoudingen). Onderhandelingen kunnen op grond van het Verdrag van Maastricht uitmonden in een medewetgevende rol in het sociale beleid.
Sectorale dialoog
Voor een goede aansluiting bij uiteenlopende ontwikkelingen en omstandigheden in de afzonderlijke sectoren vindt de Commissie ISEA het gewenst de voorwaarden te scheppen voor een optimale inbreng over de hele linie, in de sectorale dialoog. Waar nu al sprake is van een actieve, goed werkende sociale dialoog, mag de voorgestelde structuurhervorming deze verworvenheid niet op het spel zetten. Deze faciliëring moet volgens de Commissie ISEA meer op maat worden gesneden, op basis van jaarlijkse werkprogramma's; er is geen reden rituele bijeenkomsten te ondersteunen.
Werkgelegenheidsbeleid
Op basis van het Verdrag van Amsterdam worden Europese richtsnoeren geformuleerd voor het nationaal te voeren werkgelegenheidsbeleid. De Commissie ISEA hecht veel waarde aan zo'n periodieke beoordeling van werkgelegenheidsbeleid en aan de systematische uitwisseling van best practices . Zij vindt een inhoudelijke gedachtewisseling met sociale partners over het jaarlijks door Nederland op te stellen nationale actieplan van belang.
Op Europees niveau staat de positie van het tripartiete Permanent Comité voor Arbeidsmarktvraagstukken (PCA) ter discussie. De Commissie ISEA is voor verbetering van de werkwijze en de samenstelling van het PCA alsmede voor de afstemming tussen het ambtelijke Comité voor Werkgelegenheids- en Arbeidsmarktbeleid (CWA) en sociale partners. Deze komen de doelmatigheid en de aansluiting op de politieke besluitvorming ten goede. Wel plaatst de Commissie ISEA een paar kanttekeningen bij de precieze voorstellen van de Europese Commissie ten aanzien van de samenstelling van het PCA.
De representativiteit
De Commissie ISEA vindt dat er op korte termijn criteria voor representativiteit moeten komen, waarbij uiteraard onderscheid moet worden gemaakt naar verschillende functies - advisering en onderhandelen - en niveaus van de sociale dialoog. Sociale partners zijn wat de onderhandelingen betreft autonoom in de keuze van gesprekspartners. Gegeven de mogelijke implementatie door middel van EG-wetgeving is het wel van belang dat de Raad van ministers criteria voor de representativiteit van een mogelijk te sluiten overeenkomst aanreikt.
Verdeling van bevoegdheden
De verdeling van de bevoegdheden tussen de Europese instellingen (Raad, Commissie en Parlement) speelt een rol indien sociale partners verzoeken door hen gesloten overeenkomsten via EG-wetgeving ten uitvoer te leggen. De Commissie ISEA onderschrijft in hoofdlijnen de volgende taakverdeling die de Nederlandse regering in 1997 heeft opgesteld:
- De Europese Commissie toetst op eventuele strijdigheid met het Gemeenschapsrecht en (marginaal) op representativiteit van de onderhandelaars; zij beoordeelt of het wenselijk is - en zo ja, hoe - aan de inhoud van het tussen sociale partners gesloten akkoord een ruimere werking te geven.
- De Raad van ministers wordt geacht de materiële inhoud van de door sociale partners gesloten akkoorden te respecteren. De Raad kan een overeenkomst wel afkeuren, maar niet veranderen. Ten aanzien van de uitvoeringsbepalingen blijft de wetgevende bevoegdheid van de Raad bestaan en kan hij voorstellen van sociale partners wel wijzigen.
- Het Europees Parlement zou informeel bij de procedure moeten worden betrokken voor een toets op het algemeen belang.
De Commissie ISEA vindt dat heldere spelregels nodig zijn om zowel de democratische legitimatie als de doelmatigheid van de medewetgevingsprocedure te waarborgen. Zij ziet haar suggestie om de Raad representativiteitscriteria te laten aanreiken als een eerste stap in die richting. Verder zou het Parlement een beargumenteerd positief of negatief advies moeten kunnen geven over besluiten van de Raad om door communautaire wetgeving verbindende werking te geven aan door sociale partners gesloten overeenkomsten.
De uitbreiding van de EU
Tekortkomingen in het sociale beleid en in de arbeidsverhoudingen behoren voor de kandidaat-lidstaten uit Midden- en Oost-Europa tot de grootste knelpunten op weg naar toetreding. In de 'partnerschappen voor toetreding' is de "verdere ontwikkeling van een actieve, autonome sociale dialoog" terecht als een van de prioriteiten en doelstellingen voor de middellange termijn opgenomen. Daaraan kunnen evenwel moeilijk vergaande voorwaarden voor de vormgeving van de nationale arbeidsverhoudingen in die landen worden ontleend. Het bevorderen van de nationale sociale dialoog in de kandidaat-lidstaten dient zich volgens de Commissie ISEA vooralsnog te richten op het vormen van 'lichte' overlegplatforms en op advies- en overlegwerkzaamheden die aan de sociale dialoog inhoud kunnen geven.
Het EG-Verdrag houdt wel een duidelijke verplichting in mee te werken aan de ontwikkeling van de Europese sociale dialoog. Als de bereidheid daartoe zou ontbreken, kan dat aanleiding zijn de toetreding op te houden. De vraag rijst in hoeverre nu reeds vertegenwoordigers uit de kandidaat-lidstaten als waarnemers aan bepaalde advies- en overlegfora van de sociale dialoog zouden kunnen deelnemen.
Noot voor de redactie
Voor nadere informatie: commissiesecretarissen drs. M.G. Bos, tel 070-3499517, drs. L. Faase, tel 070-3499550 en drs. H.J.A. van Merrienboer, tel. 070-3499520 of voorlichter Mariek de Valk, tel. 070-3499648