Home | Actueel | Persberichten | 1998-1999 | 1998 | Bijstand startende ondernemers gerichter inzetten als uitstroominstrument

Bijstand startende ondernemers gerichter inzetten als uitstroominstrument

23 september 1998

De SER-commissie Sociale Zekerheid is het eens met het kabinet dat de ondersteuning - door kredietverlening en inkomenssteun - van zelfstandig ondernemerschap, actiever ingezet moet kunnen worden als uitstroominstrument voor uitkeringsgerechtigden. Maar zij vindt wel dat daaraan strikte voorwaarden moeten worden gesteld. Zo moet in een eerder stadium getoetst worden of het zelfstandig ondernemerschap voor betrokkene inderdaad een reële optie is en dient de begeleiding van werkzoekenden primair gericht te blijven op het werken in loondienst. De commissie wil daarnaast onderzoek naar de mogelijkheid van een aparte regeling - buiten de sociale zekerheid - voor de kredietverlening, begeleiding en advisering van startende uitkeringsgerechtigden.

Dat staat in een ontwerpadvies1 dat de raad op vrijdag 16 oktober zal behandelen. Het is opgesteld door de Commissie Sociale Zekerheid, onder voorzitterschap van prof.dr. A.H.J. Kolnaar. Het is een reactie op een adviesaanvraag van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 10 juli 1998 over de hoofdlijnen van nieuwe initiatieven voor het starten als zelfstandig ondernemer vanuit een uitkeringssituatie. Het gaat in hoofdzaak om voorstellen tot aanpassing van het Besluit Bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz) en daarnaast om de mogelijkheden om te starten vanuit de Werkloosheidswet en de arbeidsongeschiktheidswetten. De aanpassing van het Bbz betreft onder andere een aantal verruimingen van de mogelijkheden. Het kabinet wil daarbij in het algemeen geen onderscheid meer maken tussen degenen die door middel van loondienst uit de uitkering willen en degenen die dit willen doen door een bedrijf te starten.

Strikte voorwaarden

De commissie beschouwt het zelfstandig ondernemerschap als een regulier uitstroomperspectief, waaraan evenwel strikte voorwaarden dienen te worden gesteld. Zij vindt dat aan het begin van een traject in de richting van het zelfstandig ondernemerschap een toetsing moet plaatsvinden om keuzes te vermijden die een arbeidsmarkttraject onnodig kunnen vertragen. Vanuit deze nadruk op de voortgang van activeringstrajecten, acht de commissie het wenselijk dat de oriëntatie in de gevalsbehandeling primair gericht blijft op werken in loondienst. Een volledige vrijstelling van de sollicitatieplicht in de door het kabinet voorgestelde voorbereidingsperiode acht de commissie dan ook een stap te ver.

Regelingen overbodig maken

De meerwaarde van het beleid ten aanzien van startende uitkeringsgerechtigden ligt volgens de commissie vooral in de aanvulling op de kredietmogelijkheden van de markt. Juist daarom zou de commissie het ook logisch vinden dat het kabinet verder beleid ontwikkelt om de commerciële kredietverlening aan startende uitkeringsgerechtigden te bevorderen. Vooral van belang blijft het om een werkbaar instrumentarium te ontwikkelen opdat kredietverleners beter in staat zijn om startplannen juist in te schatten. Het streven zou dus eigenlijk moeten zijn om het Bbz en verwante regelingen overbodig te maken. Daarvoor is het noodzakelijk dat het startersbeleid van de ministeries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Economische Zaken in samenhang wordt bezien.

Geen concurrentieverstoring

De commissie wil in het algemeen waarschuwen tegen een te soepele toepassing van faciliteiten en specifieke steunmaatregelen voor startende uitkeringsgerechtigden, omdat dit direct concurrentieverstorend kan werken. Het op de markt helpen van minder geschikte starters werkt immers nadelig voor reeds gevestigde ondernemers. Het huidige selectieve karakter moet daarom worden behouden bij de pogingen om het bereik van het Bbz en verwante regelingen te vergroten. Een mogelijke meer risiconemende houding bij de beoordeling van startplannen door de gemeentelijke sociale diensten om zodoende het bereik te vergroten, wijst de commissie daarmee af. De uitvoering zou zich meer moeten richten op werkzoekenden die om bepaalde redenen de mogelijkheid van het zelfstandig ondernemerschap nog niet serieus hebben onderzocht. Met name oudere en allochtone (langdurig) werklozen vindt de commissie in het licht van het zelfstandig ondernemerschap interessante groepen. De commissie signaleert hierbij dat de kabinetsvoorstellen wat betreft het vergroten van het bereik en de bekendheid van het Bbz het minst concreet zijn uitgewerkt.

De door het kabinet voorgestelde kredietverlening aan potentiële starters in een voorbereidingsperiode kan volgens de SER-commissie neigen naar een oneigenlijk concurrentievoordeel, vooral ook omdat deze kredietverlening nog niet gebaseerd kan zijn op een duidelijk ondernemersplan. De commissie beveelt daarom aan om het krediet in de voorbereidingsfase aan scherpe voorwaarden te onderwerpen en alleen toe te kennen voor zover dit eraan bijdraagt om de levensvatbaarheid van het bedrijf beter te kunnen beoordelen. Meestal zal het dan gaan om een marktonderzoek; kleine investeringen vallen daar volgens de commissie niet onder.

Mogelijkheid van een zelfstandige startersregeling

De commissie betreurt het dat het kabinet met de nieuwe initiatieven voor startende uitkeringsgerechtigden zo strikt binnen de kaders van de Algemene bijstandswet en het Bijstandsbesluit zelfstandigen blijft en ook dat het kabinet kiest voor een afzonderlijke regeling voor startende arbeidsgehandicapten. Het is volgens de commissie wellicht beter de startersfaciliteiten te stroomlijnen door een scheiding aan te brengen tussen de inkomensondersteuning en de kredietverlening in het startersbeleid ten aanzien van uitkeringsgerechtigden. Dit kan bijvoorbeeld door de specifieke elementen van het beleid, waaronder de kredietverlening en de beoordeling van startersplannen, uit de sfeer van de sociale zekerheid te halen en te verzelfstandigen. De commissie nodigt het kabinet uit om deze gedachte verder uit te werken.


1Het gaat om een ontwerpadvies dat thans ter bespreking voorligt in de achterbannen. De standpunten die hier worden weergegeven, zijn die van de commissie van voorbereiding.


Noot voor de redactie
Voor nadere informatie: commissiesecretaris Wouter van Casteren, tel. 070 - 3499 529 of voorlichter Mariek de Valk, tel. 070 - 3499 648