24 juni 1998
De SER-commissie Arbeidsomstandigheden heeft geen fundamentele bezwaren tegen het voorstel van staatssecretaris De Grave van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de bestaande keuringsregimes opnieuw te beoordelen. Zij heeft wel enige twijfels over de aan de herbeoordeling verbonden conclusies en over de wijze van het inzetten van beleidsinstrumenten.
Dat staat in het advies Herziening SZW-keuringsregimes arbeidsmiddelen dat de Commissie Arbeidsomstandigheden heeft uitgebracht. Het advies, dat is voorbereid door een werkgroep onder voorzitterschap van prof.dr. J.M.G. Leune, is een reactie op een adviesaanvraag van 12 december 1997 van staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Het gaat om een herziening van de bestaande keuringsregimes voor drukapparatuur en arbeidsmiddelen; het betreft met name druk- en stoomtoestellen, liften en hijskranen.
Aanleidingen voor de adviesaanvraag waren niet alleen de implementatie van EG-richtlijnen en de gebleken behoefte aan invulling van nationaal beleid, maar ook het feit dat de keuringsregimes al geruime tijd bestaan, en dat de bestaande keuringsverplichtingen opnieuw zouden moeten worden beoordeeld in het licht van de huidige beleidsopvattingen. De staatssecretaris heeft dan ook gekeken naar de mogelijkheid van invoering van marktwerking in keuringsregimes, het aansluiten op Europese productrichtlijnen, modernisering (normalisatie en certificatie) en de onderlinge consistentie in keuringsregimes. Hij concludeert dat de bestaande keuringsregimes met enkele aanpassingen kunnen worden gehandhaafd. Verder zou een keuringsregime moeten worden ingevoerd voor moderne typen van arbeidsmiddelen zoals hoogwerkers en hangsteigers.
Beoordeling van het voorstel
Bij de beoordeling van het voorstel gaat de commissie ervan uit dat keuringsregimes bij moeten dragen aan de realisatie van de doelstellingen van de Arbeidsomstandighedenwet: een zo groot mogelijke veiligheid, een zo goed mogelijke bescherming van de gezondheid en het bevorderen van het welzijn bij de arbeid. Alle overige uitgangspunten zijn daaraan ondergeschikt.
De commissie is het eens met de door de staatssecretaris gemaakte keuze van (arbeids)middelen die onder een wettelijk keuringsregime zouden moeten vallen. Zij gaat dan ook akkoord met de voorstellen van de staatssecretaris van handhaving van de wettelijke keuringsverplichtingen voor drukapparatuur, liften, mobiele kranen en torenkranen.
Ten aanzien van drukapparatuur pleit de commissie voor handhaving van de huidige situatie van opstelling van keuringsvoorschriften door een onafhankelijke commissie van deskundigen en vaststelling ervan door de overheid. Verder stemt zij in met een mogelijk risico-afhankelijke keuringstermijn bij drukapparatuur.
De commissie wijst erop dat voor mobiele kranen en torenkranen het wettelijke keuringsregime zal moeten worden aangepast aan de huidige praktijk van het niet meer uitvoeren van de ingebruiknamekeuring door een gecertificeerde instelling.
Verder pleit de commissie voor invoering van een wettelijke verplichte opstellingskeuring door een gecertificeerde keuringsinstelling voor torenbouwkranen op rails . Dergelijke kranen worden in delen aangeleverd en op elke nieuwe locatie weer opgebouwd.
De commissie stemt eveneens in met de invoering van een verplicht keuringsregime voor hijs- en hefwerktuigen voor personen (hangsteigers en hoogwerkers), met uitzondering van de verplaatsbare hangsteigers, alsmede met de voorgestelde keuringsfrequentie. Zij is het met de staatssecretaris eens dat een oplossing van de veiligheidsproblematiek bij de verplaatsbare hangsteigers moet worden gezocht in het stellen van deskundigheidseisen aan de gebruiker.
Ten aanzien van hijs- en hefwerktuigen en hijs- en hefgereedschappen aan boord van schepen heeft de commissie begrip voor het standpunt van de staatssecretaris geen wijzigingsvoorstellen in te dienen omdat daartoe op grond van internationale verplichtingen geen ruimte bestaat. Zij vindt echter dat op termijn een afstemming van de wettelijke verplichtingen van deze middelen aan boord van schepen en aan de wal in de rede ligt.
Ten aanzien van inzet van de beleidsinstrumenten normalisatie en certificatie brengt de commissie eerder over dit onderwerp uitgebrachte adviezen in herinnering. Zij concludeert dat na het uitbrengen van die adviezen vooralsnog te weinig vorderingen zijn gemaakt met betrekking tot het daadwerkelijk kunnen waarmaken van taken en verantwoordelijkheden van sociale partners in het normalisatieproces.
De commissie staat in beginsel niet afwijzend tegen de inschakeling van bedrijfsinterne keuringsdiensten voor het verrichten van verplichte keuringen binnen de eigen bedrijven. Voorwaarde daarbij is dat nadere regelingen moeten worden getroffen ten aanzien van een gegarandeerde functionele onafhankelijkheid en ten aanzien van criteria voor deskundigheid en kwaliteit. In het accreditatieschema zouden daartoe criteria moeten worden opgenomen.
Noot voor de redactie
Meer informatie bij commissiesecretaris Eric Knopper, tel. 070 - 3499 556 of bij voorlichter Mariek de Valk, tel. 070 - 3499 648