16 juni 1998
De huidige organisatie van de uitvoering van de werknemersverzekeringen schiet op een aantal punten tekort. Daardoor kan van de beoogde marktwerking als prikkel voor betere reïntegratie-resultaten en meer doelmatigheid in de uitvoering, geen sprake zijn. Nodig is dat er meer opdrachtgevers komen en dat de markt toegankelijker wordt voor nieuwe uitvoeringsinstellingen. Daartoe moeten de toetredingsvoorwaarden zoveel mogelijk worden versoepeld en zullen onderdelen van de gevalsbehandeling (uitkeringsverzorging, reïntegratie) bij commerciële bedrijven moeten worden ondergebracht. De claimbeoordeling moet buiten de commerciële sfeer worden gehouden onder meer vanwege het risico van belangenverstrengeling. Het kabinetsvoorstel om de claimbeoordeling bij nieuwe publieke organisaties onder te brengen stuit echter op bezwaren. Het ligt meer voor de hand om de huidige holdingconstructies te handhaven en de claimbeoordeling binnen een juridisch afgezonderd onderdeel te houden. Verder is het belangrijk om bij de beoogde decentralisatie van het opdrachtgeverschap uit te gaan van een gezamenlijke verantwoordelijkheid en betrokkenheid van sociale partners.
Dat staat in het ontwerpadvies1 Organisatie uitvoering sociale verzekeringen (OSV 2001 dat de raad op vrijdag 19 juni zal bespreken. Het ontwerpadvies is voorbereid door de Commissie Sociale Zekerheid onder voorzitterschap van prof.dr. A.H.J. Kolnaar. Het is een reactie op de adviesaanvraag van 27 april 1998 van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de SER over de toekomstige uitvoeringsorganisatie van de sociale verzekeringen. Blijkens de adviesaanvraag wil het kabinet doorgaan op de eerder ingeslagen weg van concurrentie in de uitvoering van de werknemersverzekeringen als middel voor een meer activerend stelsel en lagere uitvoeringskosten. De adviesaanvraag schetst daartoe een 'denkrichting' voor een meer geprivatiseerde uitvoeringsorganisatie, waarbij echter het gevoelige onderdeel van de claimbeoordeling in afzonderlijke publieke organisaties is ondergebracht.
De raad is verzocht het advies op een zodanig tijdstip uit te brengen dat het kan worden betrokken bij de kabinetsformatie. Naar aanleiding daarvan heeft de raad besloten op korte termijn een advies op hoofdlijnen uit te brengen. Hij neemt zich voor om, rekening houdend met de besluitvorming van het nieuwe kabinet, in een vervolgadvies op onderdelen nader te adviseren; daarbij komt ook het bredere verband met de arbeidsvoorziening, de bijstandsverlening en het SWI-traject aan de orde.
In de visie van de commissie dient de verdere vernieuwing van de uitvoeringsorganisatie te worden geplaatst in het perspectief van de uitdagingen voor het sociaal-economisch beleid op middellange termijn. Verhoging van de arbeidsparticipatie blijft daarin een centrale positie innemen. Op het terrein van de uitvoering van de werknemersverzekeringen zal daarom een aantal knelpunten moeten worden weggenomen zodat sprake kan zijn van reële marktwerking als prikkel tot verhoging van de reïntegratie-inspanning. De huidige uitvoering schiet immers met name op dit terrein nog tekort.
Positionering claimbeoordeling
De commissie onderschrijft de door het kabinet gesignaleerde knelpunten, met name het gebrek aan meerdere opdrachtgevers en de hoge toegangsdrempel voor nieuwe uitvoeringsinstellingen. Zij betwijfelt echter of het wegnemen van dit laatste knelpunt een ingrijpende oplossing zoals door het kabinet wordt voorgestaan, noodzakelijk maakt. Enerzijds kan de commissie zich voorstellen dat een volledige privatisering van de gevalsbehandeling door het kabinet als te riskant wordt beschouwd gezien de in het geding zijnde publieke belangen. Anderzijds wijst de commissie erop dat een gedeeltelijke privatisering, zoals door het kabinet voorgesteld, inhoudt dat een nieuwe knip in de gevalsbehandeling wordt aangebracht. Sinds het einde van de jaren tachtig was het streven van de wetgever er juist op gericht om een integrale gevalsbehandeling mogelijk te maken. De gevalsbehandeling als keten van handelingen, beslissingen en activiteiten wordt in de kabinetsplannen echter weer over meerdere instanties en partijen verdeeld. Dit noopt over en weer onvermijdelijk tot extra dossieroverdrachten en gegevensverkeer. Ook wordt hiermee een potentiële bron van competentiegeschillen en onduidelijkheid over verantwoordelijkheden en bevoegdheden ingebouwd, waarmee niemand kan zijn gediend.
De commissie pleit ervoor bij het zoeken naar oplossingen om redenen van doelmatigheid en continuïteit zoveel mogelijk van de huidige situatie uit te gaan en daar op voort te bouwen. Volgens haar kan een verbetering van de marktwerking thans reeds in belangrijke mate worden gerealiseerd door, met handhaving van de huidige holdingconstructies, het aantal (potentiële) opdrachtgevers aan de vraagzijde van de uitvoeringmarkt te verhogen en door de uitvoeringsmarkt aan de aanbodzijde beter toegankelijk te maken voor nieuwkomers. Daartoe kan in de eerste plaats worden bezien hoe de erkenningscriteria kunnen worden versoepeld. Ten tweede zou de mogelijkheid moeten worden gecreëerd dat de uitkeringsverzorging en de feitelijke uitvoering van het reïntegratietraject worden ondergebracht bij private, commerciële bedrijven. Deze benadering komt in de praktijk erop neer dat de huidige holdingconstructies met een publieke A-poot en een private B-poot worden gehandhaafd, maar dat de primaire taken van de publieke A-poot worden beperkt tot intake en claimbeoordeling.
De commissie kan hiermee op hoofdlijnen de indeling volgen die het kabinet aanhoudt als het gaat om het binnen de publieke sfeer èn buiten de commerciële sfeer houden van onderdelen van de gevalsbehandeling die bepalend zijn voor het recht op uitkering en een beoordelingsruimte voor de gevalsbehandelaar vergen.
Opdrachtgeverschap en betrokkenheid sociale partners
De commissie vindt het belangrijk om bij de beoogde decentralisatie van het opdrachtgeverschap uit te gaan van een gezamenlijke verantwoordelijkheid en betrokkenheid van sociale partners (bipartiet opdrachtgeverschap). Ofschoon meerdere mogelijkheden denkbaar zijn, komt zij tot de conclusie dat toedeling van het opdrachtgeverschap aan CAO-partijen op meso-niveau (het niveau van de sector of de bedrijfstak-CAO) de meest gerede optie vormt. Daarnaast dient er een vrijstellingsmogelijkheid te bestaan voor individuele ondernemingen met 100 en meer werknemers om op ondernemingsniveau het opdrachtgeverschap in te vullen. De gewenste bipartiete uitoefening van het opdrachtgeverschap dient ook bij deze ondernemingen tot gelding te worden gebracht. Dit betekent dat indien de betreffende onderneming een eigen ondernemings-CAO heeft of onder een bedrijfstak-CAO valt, de betrokken werknemersorganisaties als counterpart van de werkgever zullen optreden. Hiervan kan worden afgeweken wanneer hierover tussen CAO-partijen afspraken worden gemaakt. Indien de betrokken onderneming niet onder een CAO valt, treedt de ondernemingsraad als counterpart op, op basis van instemmingsrecht als bedoeld in artikel 27 Wet op de ondernemingsraden.
Gegevensbeheer
De commissie vindt dat wijzigingen in de uitvoeringsorganisatie altijd gepaard moeten gaan met voldoende waarborgen voor zowel een zorgvuldig beheer en verkeer van publieke persoonsgegevens als een bescherming van de privacy van de werkgever, verzekerde werknemer, uitkeringsgerechtigde en andere betrokkenen. De gegevens mogen in geen geval commercieel gebruikt worden. Ook dienen persoonsgegevens die op grond van een wettelijke verplichting ter beschikking komen en gegevens die voortvloeien uit een privaatrechtelijke relatie van elkaar gescheiden te worden.
Toezicht
Ook in een gewijzigde uitvoeringsorganisatie blijft een adequaat, onafhankelijk en zo efficiënt mogelijk georganiseerd toezicht noodzakelijk, aldus de commissie. Het kabinet denkt dat de toezichthoudende taken zullen afnemen, maar dat wil volgens de commissie niet zeggen dat het belang ervan ook afneemt. Integendeel, aldus de commissie: ervan uitgaande dat integraal toezicht moet worden gehouden op het gehele traject waarin publieke middelen worden aangewend is de commissie van oordeel dat de werking van de voorgestelde prikkels, de risico's van marktwerking en de noodzaak van een versterkte bescherming en een zorgvuldig beheer van persoonsgegevens leiden tot een toename van het belang van de toezichthouder en van de intensiteit van het toezicht.
1 Het gaat om een ontwerpadvies. De standpunten die hier worden weergegeven, zijn die van de commissie van voorbereiding.
Noot voor de redactie
Nadere informatie bij commissiesecretaris Ben Modderman, tel. 070 - 3499 532 of bij voorlichter Mariek de Valk, tel. 070 - 3499 648