8 mei 1998
De Commissie Arbeidsmarktvraagstukken van de SER is het eens met het kabinet dat belemmeringen moeten worden weggenomen die de combinatie van arbeid en zorg bemoeilijken en economische zelfstandigheid tegengaan. Daartoe moet onder meer de beschikbaarheid en toegankelijkheid van kinderopvang worden vergroot. Binnen de commissie wordt verschillend gedacht over een mogelijke uitbreiding van wettelijke verlofregelingen, over financiële ondersteuning van huishoudens met kinderen en over een eventuele verzelfstandiging van bijstandsuitkeringen.
Dat blijkt uit het ontwerpadvies1 Arbeid, zorg en economische zelfstandigheid dat de SER-commissie Arbeidsvraagstukken, onder voorzitterschap van mr. K.G. de Vries, heeft opgesteld. Het ontwerpadvies zal tijdens de raadsvergadering van vrijdag 15 mei worden besproken. Het is een reactie op een adviesaanvraag over de kabinetsnota Kansen op combineren van minister Melkert van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 29 september 1997.
De arbeidsdeelname van vrouwen blijft nog steeds achter bij die van mannen. Het beleid moet zich daarom volgens de commissie richten op het vergroten van keuzemogelijkheden met het oog op een grotere economische zelfstandigheid en het wegnemen van de bestaande (institutionele) belemmeringen die het maken van keuzen bemoeilijken. De commissie vindt dat dit beleid gestalte moet krijgen langs een drietal onderling verbonden sporen: de bevordering van gedifferentieerde arbeidsduurpatronen en deeltijdarbeid, de uitbouw van verlofregelingen en, tot slot, het bestaan van goede en betaalbare faciliteiten voor kinderopvang. De primaire verantwoordelijkheid bij de bevordering van gedifferentieerde arbeidsduurpatronen en van deeltijdarbeid ligt bij de sociale partners. De commissie vertrouwt erop dat de aanbevelingen van de Stichting van de Arbeid terzake een belangrijke impuls zullen geven aan het geleidelijk realiseren van de beoogde doelen.
Verlofregelingen
De realisatie van verloffaciliteiten heeft de afgelopen jaren een nieuwe impuls gekregen door de totstandkoming van aanvullende en nieuwe wetgeving (zoals de Wet op de loopbaanonderbreking) en door initiatieven en aanbevelingen van de Stichting van de Arbeid. De commissie verwacht dat deze onderwerpen ook op het decentrale niveau aan de orde komen. Dit sluit aan bij de primaire verantwoordelijkheid van sociale partners in deze, en bij de zienswijze dat de overheid op dit gebied een faciliërende en voorwaardenscheppende rol heeft. Over de door het kabinet overwogen uitbreidingen van de huidige wettelijke verlofregelingen met een recht op betaling van ouderschapsverlof en met een zogeheten brede verloffaciliteit ten behoeve van zorg en van het vergroten van de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt wordt binnen de commissie verschillend gedacht.
De ondernemersorganisaties vinden het in het licht van het voorgaande prematuur om op dit moment de wenselijkheid van verdere uitbreiding van wettelijke verloffaciliteiten uit te spreken. De werknemersorganisaties komen met het kabinet tot de conclusie dat er wél aanleiding is voor een nadere bezinning op een mogelijke uitbreiding van verloffaciliteiten en geven daarvoor enige globale aanbevelingen.
Unaniem pleit de commissie voor een voortvarende aanpak van het kabinet bij het creëren van de benodigde fiscale faciliteiten voor sparen voor verlof door werknemers.
Kinderopvang
De commissie vindt unaniem dat de kinderopvang een forse financiële impuls moet krijgen ter oplossing van de huidige en te verwachten knelpunten. Zij schetst in haar ontwerpadvies de grote lijnen van een fiscaal georiënteerd financieringsmodel dat de mogelijkheden voor ouders om daadwerkelijk gebruik te maken van kinderopvang moet vergroten. Tevens moet de huidige fiscale behandeling van de werkgeversbijdrage kinderopvang worden gehandhaafd en zo nodig worden uitgebreid. De commissie is zich ervan bewust dat het financieringsmodel uitgaat van een fors verruimde benutting van het fiscale instrument, hetgeen budgettaire consequenties heeft. Kinderopvang dient dan ook een plaats te krijgen binnen het geheel van uitgavenprioriteiten voor de middellange termijn. In zijn advies Sociaal-economisch beleid 1998-2002 heeft de raad in dit verband uitgesproken te verwachten dat in de komende kabinetsperiode een bedrag oplopend tot enkele honderden miljoenen guldens nodig zal blijken voor de uitbreiding van de kinderopvang.
Financiële ondersteuning huishoudens met kinderen
Met uitzondering van de kinderbijslag wordt er in de uitkeringsregelingen op geen enkele wijze rekening gehouden met de kosten van kinderen en het aantal kinderen in een huishouding, terwijl de uitgaven voor kinderen slechts ten dele door de kinderbijslag worden gedekt. Dit, terwijl de kosten voor kinderen mede bepalend zijn voor de mate van economische zelfstandigheid die kan worden bereikt in geval beroep op een uitkeringsregeling wordt gedaan. Over de verschillende beleidsopties in dit kader is de commissie verdeeld.
De werkgeversorganisaties en de vakcentrales CNV en MHP vinden dat de financiële ondersteuning van huishoudens met kinderen in beginsel via de kinderbijslag moet lopen. Zij wijzen, evenals het kabinet, een zorgkostenforfait in het kader van de belastingwetgeving voor actieven met jonge kinderen af. Een dergelijke generieke uitkering voor alle werkende ouders achten zij niet opportuun. Andere maatregelen, in de sfeer van de kinderopvang en fiscale faciliëring van verlofsparen, verdienen volgens hen de voorkeur. Zij bepleiten verder nogmaals (dat gebeurde al eerder in een advies uit 1990) een studie naar differentiatie naar kindertal in de bijstandsnormen en de daarmee samenhangende minimumuitkeringen.
De vakcentrale FNV daarentegen acht zowel de sociale zekerheid als de fiscaliteit van belang voor het beleid inzake de inkomensondersteuning van huishoudens met kinderen en beoordeelt het zorgkostenforfait dan ook in een breder kader. De vakcentrale beveelt aan alle beleidsopties op dit terrein nader te onderzoeken op hun effecten (op onder meer de economische zelfstandigheid) en op hun budgettaire consequenties. Het fiscaal zorgkostenforfait voor alle actieven met kinderen onder de twaalf jaar moet daar volgens de FNV ook bij worden betrokken.
Verzelfstandiging bijstandsuitkeringen
Het kabinet komt tot de conclusie dat een verzelfstandiging van bijstandsuitkeringen moet worden afgewezen. Binnen de commissie leven daarover uiteenlopende opvattingen.
De ondernemersorganisaties en de vakcentrales CNV en MHP wijzen met het kabinet een verzelfstandiging van de ABW af. Zij zijn van oordeel dat een dergelijke verzelfstandiging leidt tot een principiële herziening van de ABW als regeling die beoogt in het minimaal noodzakelijke te voorzien en die zich heeft te richten naar de behoefte van de minst draagkrachtigen. Verder wijzen zij op de onaanvaardbare negatieve sociaal-economische risico's door het ingrijpende budgettaire beslag. Zij staan eveneens afwijzend tegenover voorstellen van de FNV ten aanzien van een verzelfstandigde basisuitkering die is opgebouwd uit een negatieve inkomstenbelasting. Over de voorstellen van de FNV met betrekking tot de WW (verlenging van de vervolguitkering; versterking van het opbouwelement) merken zij op dat daarover slechts een evenwichtige oordeelsvorming mogelijk is indien in relatie hiermee ook andere kernonderdelen van het WW-stelsel in de beschouwing worden betrokken, hetgeen de reikwijdte van dit advies te buiten zou gaan.
De vakcentrale FNV plaatst zijn oordeel in het kader van zijn zienswijze op het tot stand brengen en in stand houden van economische zelfstandigheid in geval iemand onvrijwillig niet of in beperkte mate kan deelnemen aan het arbeidsproces. Het streven dient te zijn gericht op het stapsgewijs realiseren van een geïndividualiseerde basisuitkering voortbouwend op een negatieve inkomstenbelasting. Dit dient gepaard te gaan met de verlenging van de duur van de WW-vervolguitkering en met een verdere versterking dan wel andere vormgeving van het opbouwelement in de WW. Verder doet de FNV het voorstel gemeenten lokaal te laten experimenteren met een splitsing van de gezinsbijstand tussen bijstandsgerechtigde partners en een vrijlating in de toetsing van het partnerinkomen tot het individuele minimumniveau (het niveau van de alleenstaanden).
1Het gaat om een ontwerpadvies. De standpunten die hier worden weergegeven, zijn die van de commissie van voorbereiding.
Noot voor de redactie
Voor nadere informatie: voorlichter Mariek de Valk, tel. 070-3499648 of commissiesecretaris Brigid Claassen, tel. 070-3499528.