Home | Actueel | Persberichten | 1998-1999 | 1998 | SER-commissie in ontwerpadvies over NMP3: Akkoord met verhoging energiebelastingen, verdeeld over nadere invulling

SER-commissie in ontwerpadvies over NMP3: Akkoord met verhoging energiebelastingen, verdeeld over nadere invulling

20 april 1998

Werkgevers, werknemers en onafhankelijke leden aanvaarden unaniem het kabinetsvoorstel de energiebelastingen te verhogen met het oogmerk tot een energiezuiniger gedrag aan te zetten. De opbrengst van de hogere energiebelastingen moet grotendeels worden gebruikt om een aantal andere belastingen te verlagen. Er wordt echter verschillend gedacht over de nadere invulling van die verhoging. Dit kabinetsvoorstel is opgenomen in het derde Nationaal Milieubeleidsplan (NMP3) en vormt ook een cruciaal onderdeel van de voorstellen voor het belastingstelsel in de volgende eeuw. Het kabinet onderscheidt twee varianten om de hogere energiebelastingen vorm te geven, maar kiest hier niet uit.

Deze opvattingen staan in het ontwerpadvies1 over het Derde Nationale Milieubeleidsplan dat is opgesteld door de Commissie Duurzame Ontwikkeling van de SER. Het is ter bespreking toegestuurd aan de achterbannen van de werknemers- en werkgeversvertegenwoordigers. Het advies zal op vrijdag 15 mei door de raad worden besproken. Voorzitter van de commissie is prof.dr. L.F. van Muiswinkel. Het advies is een reactie op een adviesaanvraag van 5 maart 1998 van minister De Boer van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

De werknemers en een aantal onafhankelijke leden zijn voorstander van de variant waarin een verdubbeling plaatsvindt van zowel de regulerende energiebelasting als de Wet Belastingen op Milieugrondslag, voor zover die wordt geheven over fossiele brandstoffen. Alleen het zeer grote energieverbruik zou van die belastingverhogingen moeten worden uitgezonderd. Door de hogere energiebelastingen worden de negatieve effecten van energiegebruik (bijdrage aan broeikaseffect, verzuring, lokale luchtverontreiniging, uitputting van fossiele brandstofvoorraden) beter in de prijs tot uitdrukking gebracht. De hogere energieprijzen moeten gezinshuishoudens en bedrijven prikkelen tot energiezuiniger gedrag. Doordat de belastingopbrengsten (gemiddeld) aan de gezinnen (lagere inkomstenbelasting) en bedrijven (lagere werkgeverslasten) worden teruggegeven, kan zuinige energieconsumptie uiteindelijk tot een financieel voordeel leiden.

De werkgevers vinden dat het zakelijke energiegebruik zoveel mogelijk van de hogere energiebelastingen moet worden uitgesloten. Het bedrijfsleven, in het bijzonder de industrie, heeft met de overheid meerjarenafspraken afgesloten met als doel de energie-efficiency aanzienlijk te verhogen. Dit beleid blijkt succesvol. Om die reden is het de bedoeling om deze aanpak in de toekomst verder te verdiepen en te verbreden. In zo'n situatie past het niet deze bedrijven ook een hogere energiebelasting op te leggen. Tegen deze achtergrond zijn voor werkgevers alleen hogere energiebelastingen aanvaardbaar, als zij zich beperken tot het echte kleinverbruik. Voor hen geldt daarom als vertrekpunt de kabinetsvariant waarin de regulerende energiebelasting voor de echte kleinverbruikers (het gas- en elektriciteitsgebruik tot drie maal het gemiddelde gezinsgebruik) wordt verdrievoudigd.

Voor een aantal milieuthema's (zoals broeikasgassen en verzuring) lijkt het alleen mogelijk de langetermijndoelstellingen te halen als ingrijpende milieumaatregelen worden getroffen. Mede tegen deze achtergrond vindt de commissie het opmerkelijk dat in het NMP3 geen serieuze afweging plaatsvindt tussen enerzijds de milieudoelstellingen en anderzijds de beschikbare instrumenten en de maatschappelijke en politieke voorkeuren. De commissie vindt dat milieudoelstellingen als 'hard' moeten worden beschouwd, totdat er serieuze argumenten zijn om aanpassing te overwegen. Zij denkt hierbij aan nieuwe wetenschappelijke inzichten ('zijn de doelstellingen te streng of juist te slap?'); aan maatschappelijke weerstand waardoor onvoldoende draagvlak ontstaat en een geforceerd milieubeleid contraproductief uitwerkt; en aan budgettaire argumenten. Daarnaast spelen de technische en economische haalbaarheid een rol.

De commissie signaleert met instemming een verbreding in de inzet van milieu-instrumenten waarbij een steeds grotere rol is weggelegd voor milieuconvenanten, meerjarenafspraken over een hogere energie-efficiency en financiële instrumenten. Daarnaast ziet de commissie in relatief nieuwe instrumenten als verhandelbare emissierechten en kostenverevening interessante aanknopingspunten voor toekomstig beleid. Zij oordeelt dan ook positief over de initiatieven op dit punt in NMP3.

De commissie vindt verder dat er een systematische studie moet komen naar de onwenselijke milieu-effecten van subsidieverstrekking. Ook beveelt zij aan het huidige milieu-instrumentarium met zijn vele specifieke maatregelen tegen het licht te houden. Dit zou moeten leiden tot een betere stroomlijning en afstemming. In ieder geval moet worden bewerkstelligd dat milieumaatregelen niet meer haaks op elkaar staan dan wel elkaars effectiviteit ondergraven.

Tot slot plaatst de commissie kanttekeningen bij een aantal opties om de uitstoot van CO2 te verminderen. Om de broeikasproblematiek effectief aan te kunnen pakken is echter een samenhangend pakket van maatregelen nodig. Eind 1998 / begin 1999 zal het volgende kabinet daartoe de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid uitbrengen, waarin zal worden uiteengezet hoe het kabinet aan de Kyoto-doelstelling ten aanzien van de CO2-reductie zal gaan voldoen. De commissie vindt het zinvol op basis van deze nota een definitief oordeel uit te spreken.


1. Het gaat om een ontwerpadvies. De standpunten die hier worden weergegeven, zijn die van de commissie van voorbereiding.


Noot voor de redactie
Voor nadere informatie: voorlichter Mariek de Valk, tel. 070-3499648 of commissiesecretaris Ton van der Wijst, tel. 070-3499551.