Home | Actueel | Persberichten | 1998-1999 | 1998 | SER-ontwerpadvies: Huidig ruimtelijk ordeningsbeleid behoeft aanpassing

SER-ontwerpadvies: Huidig ruimtelijk ordeningsbeleid behoeft aanpassing

1 april 1998

Het huidige ruimtelijk ordeningsbeleid moet meer openstaan voor maatschappelijke ontwikkelingen en behoeft meer flexibiliteit in procedures. Deze aanpassingen zijn grotendeels mogelijk binnen de kaders van de huidige wetgeving. Aanpassing van het beleid is van belang voor het mogelijk maken van het gewenste toekomstbeeld over de ruimtelijke inrichting van Nederland rond het jaar 2030. Dit beeld ligt dicht bij een combinatie van de door VROM gepresenteerde ruimtelijke perspectieven Stedenland en Stromenland. Dat wil zeggen: compactheid en bundeling van functies in vitale (groot-)stedelijke gebieden met een beperkte uitloop langs corridors.

Dat schrijft de werkgroep Toekomstige Ruimtelijk-Economische Structuur van de SER-commissie Sociaal-Economisch Beleid in een ontwerpadvies over de discussienota Nederland 2030 van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. In die nota brengt het ministerie een viertal mogelijke perspectieven over de toekomstige ruimtelijke inrichting naar voren. Het ontwerpadvies van de SER-commissie is geagendeerd voor de raadsvergadering van vrijdag 17 april a.s.

De werkgroep, onder voorzitterschap van dr. K. Groenveld, vindt dat het beleid zich meer rekenschap moet geven van maatschappelijke ontwikkelingen en de feitelijke ruimtelijke behoeften. Dit vergt een flexibeler besluitvorming en een zekere accentverschuiving in het ruimtelijke beleid. De overheid moet evenwel een aantal collectieve waarden (zoals natuurbehoud en -verbetering en voldoende milieukwaliteit) blijven waarborgen.

De benadering van de ruimtelijke inrichting die de werkgroep voorstaat, stelt duurzame economische ontwikkeling centraal. Dit betekent dat zoveel mogelijk gunstige voorwaarden moeten worden gecreëerd om bij te dragen aan een opwaardering ('upgrading') van de productiestructuur: kennisintensivering en verduurzaming van economische activiteit om zo tot een hogere toegevoegde waarde te komen en de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren. Daar hangt mee samen dat oplossingen gevonden moeten worden voor de mobiliteitsproblematiek. Selectieve capaciteitsuitbreiding van de bestaande infrastructuur in combinatie met technologische vernieuwing van bijvoorbeeld auto's en (waar mogelijk) het hanteren van prijsinstrumenten. Groei manifesteert zich vooral in economische concentratiegebieden. Daar is de ruimtedruk van wonen en werken het grootst. De werkgroep ziet concentratie van dergelijke functies in steden als een voorwaarde om de groei duurzamer in de ruimte in te passen. Investeren in de vitaliteit van de stad is dan ook geboden. Het concept van de 'compacte stad' blijkt echter niet meer geheel te voldoen; het behoeft aanvulling met een visie op de inrichting van de ruimte om de stad. De werkgroep vindt dat corridorvorming en bundeling van vervoersstromen meer in samenhang moeten worden gebracht met de compacte stad: langs de corridors moet ruimte worden gezocht voor goede functiecombinaties met bedrijfsterreinen, multi-modale overslagpunten en wonen.
Wat betreft het landelijke gebied wil de werkgroep cultuurlandschappen en natuurgebieden zoveel mogelijk behouden. Zo vindt de werkgroep de realisatie van het Structuurschema Groene Ruimte gewenst. Wel is een zekere flexibiliteit geboden: echte natuur verdient bescherming, maar op een aantal plaatsen kan een uitgekiende landschapsinrichting de kwaliteit van zowel stedelijke als landelijke gebieden verbeteren. Verder is in het landelijke gebied een sterke landbouwsector nodig als belangrijke drager van de economische activiteit. Daarbij wil de werkgroep het activeren van 'groene nevenfuncties' voor de landbouw waaronder natuur- en landschapsbeheer bevorderen.

De benadering van de werkgroep komt dicht bij een combinatie van twee van de vier ruimtelijke perspectieven in de discussienota Nederland 2030: Stedenland plus Stromenland. Compactheid en bundeling van functies in (groot-)stedelijke gebieden met een beperkte uitloop langs corridors tezamen met het zoveel mogelijk openhouden van groene ruimtes vinden daarin hun plaats. Beide perspectieven onderkennen de noodzaak van 'upgrading' van de productiestructuur en verbetering van de kwaliteit van de natuurlijke omgeving. Als het gaat om de stadsranden aan de buitenflank van de Randstad dan behoort in een aantal gebieden de verwevenheid van 'rode' en 'groene' functies, zoals in het perspectief Parklandschap van het ministerie, tot de mogelijkheden.


Noot voor de redactie
Nadere informatie bij werkgroepsecretaris dr. Rob Morsink (tel. 070 3499 515) of voorlichter Jeroen Zonneveld (tel. 070 3499 649)