Home | Actueel | Persberichten | 1998-1999 | 1998 | Uitbreiding Europese Unie dwingt tot scherpere prioriteitsstellingen in EG-begroting

Uitbreiding Europese Unie dwingt tot scherpere prioriteitsstellingen in EG-begroting

26 januari 1998

Agenda 2000 gaat teveel uit van verworven rechten en maakt te weinig middelen vrij voor de grote uitdaging van de komende jaren: het goed begeleiden van de toetreding van een aantal Midden- en Oost-Europese landen. In de structuurfondsen is een forsere herschikking van middelen gewenst.

Dat schrijft de SER in een advies eigener beweging, in reactie op Agenda 2000 van de Europese Commissie. Agenda 2000 is een omvangrijk pakket voorstellen voor een nieuw financieel kader voor de periode 2000 - 2006 met het oog op de uitbreiding van de Europese Unie met een aantal landen uit Midden- en Oost-Europa alsmede Cyprus. Het advies is voorbereid door de Centrale Werkgroep van de Commissie Internationale Sociaal-Economische Aangelegenheden (ISEA), onder voorzitterschap van prof.mr. P.J. Slot.

Uitbreiding

Het advies benadrukt het onderscheid tussen toetredingsvoorwaarden (te stellen aan kandidaat-lidstaten) en uitbreidingsvoorwaarden (waaraan de EU moet voldoen). Zodra een kandidaat-lidstaat aan de toetredingsvoorwaarden kan voldoen, moet de uitbreiding ook kunnen plaatsvinden.

Daarbij is behoud van het bestaande acquis communautaire belangrijk omdat het de belangrijkste verdedigingslinie vormt tegen verwatering van de integratie en de beste basis biedt voor een verdere uitbreiding en verdieping van de Unie. Dat acquis moet ook uitgangspunt zijn bij de toetreding van Midden- en Oost-Europese landen. Tegelijkertijd lijkt het voor deze kandidaat-lidstaten te hoog gegrepen op afzienbare termijn het acquis in al zijn onderdelen daadwerkelijk na te leven. Aan overgangstermijnen zal niet zijn te ontkomen. Maar uitzonderingen moeten alleen worden toegestaan als ze nodig zijn en voor een bepaalde termijn. Ze mogen bovendien de goede werking van de interne markt niet bedreigen.

Binnenkort beginnen de toetredingsonderhandelingen met vijf van de tien Midden- en Oost-Europese landen. Het advies benadrukt dat periodiek de vorderingen van de overige vijf kandidaat-lidstaten moeten worden gevolgd. In het kader van een goede toetredingsstrategie is ook een flinke opwaardering van de 'Europese Conferentie' gewenst.

Knelpunten voor toetreding

Belangrijke knelpunten voor toetreding van Oost-Europese landen zijn gelegen in de bestuurlijke en juridische infrastructuur, de fysieke infrastructuur, het sociale beleid en de arbeidsverhoudingen, het milieubeleid, de nucleaire veiligheid en de landbouw. Bij een aantal knelpunten gaat het daarbij vooral om overdracht van know-how, tijd en aandacht (zoals bij de versterking van de bestuurlijke, juridische en sociale infrastructuur). Bij andere knelpunten staat de behoefte aan financiële middelen voorop (investeringen in fysieke infrastructuur en voorzieningen voor nucleaire veiligheid en milieubeleid).

Het advies spreekt zich uit voor versterking van de steun aan de kandidaat-lidstaten in hun streven naar toetreding tot de EU. De door de Europese Commissie voorgestelde verdeling van de middelen over de huidige en toekomstige lidstaten is niet evenwichtig. Er wordt onvoldoende rekening gehouden met de grote behoefte van nieuwe lidstaten aan structurele steun en met het belang van een versnelling van hun integratie in de interne markt en een verkorting van overgangstermijnen. Binnen de grenzen van het absorptievermogen van de kandidaat-lidstaten zou de Europese Unie meer middelen voor structuurversterking ter beschikking kunnen en moeten stellen. Daarbij zou voor het jaar 2006 gedacht kunnen worden aan 20 miljard ecu voor de eerste toetreders en 6 miljard ecu voor de overige kandidaat-lidstaten.

Financiering

Het advies kan zich vinden in de voorstellen ten aanzien van inkomsten- en uitgavenplafonds. Het bepleit wel een verdergaande hervorming van de structuurfondsen, door het regionale beleid van de rijkere lidstaten in principe niet meer door de EU te laten ondersteunen en door de bijdragepercentages uit Brussel te verlagen (tot maximaal 25 procent voor rijkere lidstaten en 50 procent voor de armere). De huidige lidstaten zullen moeten inschikken om een verdere (relatieve) stijging van de structuuruitgaven te voorkomen.

Lidstaten zullen bij de beoordeling van de voorstellen ook de netto financiële positie laten meewegen als een factor. Nederland is in de afgelopen jaren een van de grootste netto-betalers geworden. Een eenzijdige benadrukking van deze maatstaf is evenwel niet terecht, onder meer omdat de EG-begroting voor een groot deel vooral een allocatiefunctie heeft. Over de redelijkheid van een bepaalde netto-lastenverdeling is lastig te oordelen zonder de onderliggende stromen van uitgaven en inkomsten afzonderlijk te analyseren.

Aan de inkomstenzijde van de EG-begroting dient het draagkrachtbeginsel leidraad te zijn. In dat verband zijn aanpassingen in de samenstelling van de zogenoemde eigen middelen gewenst (zoals afschaffing van het compensatiemechanisme van het VK). Het probleem is dat, omdat de omvang van de EG-begroting binnen het eerder overeengekomen plafond van 1,27 procent van het BNP van de EU blijft, er geen noodzaak is om nadere afspraken te maken over de samenstelling van de eigen middelen. En omdat voor dergelijke besluiten unanimiteit nodig is, lijkt er nauwelijks een onderhandelingsbasis te zijn voor het doorvoeren van veranderingen aan de inkomstenzijde.

Aan de uitgavenzijde vragen vooral de hervormingen van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid en van de structuurfondsen en het cohesiefonds aandacht. Op die terreinen kan Nederland voor forse dilemma's worden geplaatst, omdat het streven naar grotere doelmatigheid van EU-beleid kan botsen met de wens meer uit de EG-begroting te ontvangen. Het blijft belangrijk aan te dringen op grotere doelmatigheid, een scherpere kosten-batenafweging, het doorvoeren van vormen van financiële renationalisatie en het krachtig bestrijden van fraude. Daardoor kan immers een zekere onderuitputting van de EG-begroting worden bevorderd. Via lagere afdrachten aan de EG-begroting komt dat ook de netto financiële positie van Nederland ten goede.


Noot voor de redactie
Nadere informatie bij commissiesecretaris drs. M. Bos, tel. 070 3499 517 of bij voorlichter Jeroen Zonneveld, tel. 070 3499 649