Home | Actueel | Persberichten | 1998-1999 | 1998 | SER kritisch over ontwerp hoger onderwijs en onderzoek plan 1998

SER kritisch over ontwerp hoger onderwijs en onderzoek plan 1998

16 januari 1998

De Sociaal-Economische Raad1 reageert kritisch op het ontwerp Hoger Onderwijs en Onderzoek en Plan 1998 (HOOP 1998) van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. De raad mist in het ontwerp een bredere beschouwing over de toekomst van het hoger onderwijs. Aandacht voor bijvoorbeeld een leven lang leren, voor de toekomst van de studiefinanciering en voor de toegang tot het hoger onderwijs (loting) ontbreekt. Bovendien bespeurt de raad in het HOOP 1998 een voortdurende spanning tussen enerzijds de autonomie van de instellingen en anderzijds de wens tot sturing van de minister, een spanning die lijkt toe te nemen en niet altijd ten goede komt aan de beoogde resultaten. De raad adviseert de minister na te gaan welke knelpunten er zijn in de effectiviteit van de huidige sturingsinstrumenten en aan de hand daarvan na te gaan op welke wijze de sturing kan worden geoptimaliseerd.

Doorstroming mbo-hbo

Het ontwerp-HOOP 1998 gaat er, evenals het HOOP 1996, van uit dat voor een groot aantal mbo'ers, door verwante opleidingen, de leerweg in het hbo verkort kan worden en dat veel mbo-afgestudeerden persoonlijk gebaat zijn bij een kortere leerroute.

De raad herhaalt, net als in zijn reactie op HOOP 1996, zijn pleidooi om verkorte hbo-opleidingen slechts te stimuleren als dit op onderwijskundige gronden verantwoord is.

De lijst van verwante opleidingen zoals opgenomen in het HOOP 1998 vormt volgens de raad geen deugdelijke basis om te komen tot een verkorting van hbo-opleidingen. De raad meent dat de LICA-lijst (Landelijk Informatie Centrum Aansluiting VO HBO) en de initiatieven van het platform beroepsonderwijs ­ waarin HBO-raad, BVE-raad en de Stichting Centraal Orgaan van de Landelijke Opleidingsorganen in het bedrijfsleven (COLO) samenwerken ­ om te komen tot een betere aansluiting mbo-hbo en meer in het bijzonder tot zevenjarige leerwegen mbo-hbo, een beter uitgangspunt vormen. Daarenboven gaat de raad ervan uit dat een cursusduurverkorting negatief zal uitwerken op de mogelijkheden voor een aantal groepen om het hbo met succes af te ronden, zoals allochtonen, mto'ers, praktisch ingestelde leerlingen en 'laatbloeiers'. Tevens zou zo'n verkorting van de cursusduur niet bijdragen aan een keuze voor bèta en techniek.

De raad wil dan ook naast een driejarig hbo-traject nadrukkelijk een vierjarig traject gehandhaafd zien.

Vrouwen en techniek

Al eerder heeft de raad uitgesproken dat hij een traditioneel keuzepatroon van meisjes/vrouwen en jongens/mannen ongewenst vindt. Het veranderen van keuzepatronen vergt echter veel tijd en dient idealiter ver voor de richtingkeuze in het hoger onderwijs aan te grijpen; reeds in het basisonderwijs zou er een start mee moeten worden gemaakt. Loopbaanoriëntatie en -begeleiding bieden mogelijkheden tot horizonverbreding en kan zo jongens en meisjes zicht geven op nieuwe mogelijkheden en daarmee bevorderen dat niet-traditionele keuzen worden gemaakt. Ook adviseert de raad naast integratie van emancipatiedoelstellingen in het generieke beleid, het voeren van specifiek beleid. Hierbij valt te denken aan een streefcijfersystematiek zoals voorgesteld door de Stichting Vrouwen en hoger technisch onderwijs (VHTO).

Het HOOP 1998 bevat de suggestie dat door het creëren van mogelijkheden voor het werken in deeltijd in hogere functies mogelijk op korte termijn meer ruimte ontstaat voor werving van vrouwen in hogere functies.

Dit kan, zo meent de raad, een eerste stap zijn om vrouwen te werven voor hogere functies. Daarnaast beveelt de raad ook aan te zoeken naar (betere) mogelijkheden voor het personeel in het hoger onderwijs om werk- en zorgtaken te combineren.

Ten slotte mist de raad in het HOOP 1998 aandacht voor de rol die het hoger onderwijs kan spelen bij het behoud van employability van vrouwen tijdens de loopbaanonderbreking.

Afstemming op maatschappelijke eisen

De raad wil het beter afstemmen op maatschappelijke eisen breed beschouwen en niet, zoals in het HOOP gebeurt, versmallen tot dualisering. Hij vraagt hierbij ook aandacht voor verbetering van de informatie over de arbeidsmarktperspectieven voor afgestudeerden, de verbetering van de beroepsoriëntatie, de verbetering van de stages tijdens de studie en voor het in dialoog met maatschappelijke groeperingen verbeteren van de curricula.

Over de invulling en actualisering van curricula vindt reeds afstemming op eisen van de beroepspraktijk plaats, bijvoorbeeld door overleg tussen de instellingen en werkgevers, onder meer in werkveldcommissies en RCO-adviesgroepen. De raad bepleit dat deze contacten worden uitgebreid (meer studierichtingen), dat via meerdere kanalen representatieve deskundigen uit de praktijk worden geworven (werkgeversorganisaties, beroepsverenigingen, alumni-organisaties, werknemersorganisaties) en dat, op nationaal niveau, deze contacten zowel in het hbo als vooral in het wo op een meer structurele en systematische wijze worden gebruikt ten behoeve van curriculumaanpassingen.

Duaal hoger onderwijs

Over de combinatie van leren en werken in het hoger beroepsonderwijs (bijvoorbeeld co-op onderwijs en MKB-route) heeft de raad al eerder positief geadviseerd. Daarbij stelde hij echter wel een aantal voorwaarden, die ook gelden voor nieuwe initiatieven:

  • de duale opleidingen moeten volwaardige hbo-opleidingen zijn;
  • de begeleiding moet goed geregeld zijn;
  • de afspraken over werkend leren moeten niet alleen met individuele bedrijven maar bij voorkeur ook met brancheorganisaties worden gemaakt.

De raad is niet overtuigd door de argumenten die in het ontwerp-HOOP worden aangevoerd voor duaal onderwijs aan universiteiten. Hij mist bovendien aandacht voor de verschillen tussen hbo en wo: het wo is vooral gericht op het verwerven van kennis en het eigen maken van methodes, het hbo is vooral gericht op de beroepsmatige toepassing van verworven kennis. Toch wil de raad duale opleidingen als experiment aan de universiteiten niet op voorhand uitsluiten.

Bekostiging van onderzoek

In het ontwerp-HOOP 1998 wordt op verschillende plaatsen aandacht gevraagd voor de versterking van de publieke onderzoeksinfrastructuur. Een belangrijk element daarin is het voornemen van de minister een verschuiving aan te brengen in de financiering van het fundamenteel wetenschappelijk onderzoek. De minister wil de tweede geldstroom vergroten via een geleidelijke overheveling van circa 500 miljoen gulden uit de eerste geldstroom. De eerste geldstroom omvat thans 2,6 miljard gulden en wordt beheerd door de universiteiten. De tweede geldstroom (thans circa 300 miljoen gulden) wordt verdeeld door de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO).

Een deel van de raad2 stemt in met het principe om een groter deel van de bekostiging van onderzoek via de tweede geldstroom te doen plaats vinden. Het is dan beter mogelijk om een lange termijnstrategie te ontwikkelen en afwegingen te maken op landelijk niveau over de grenzen van universiteiten heen. Een sterker accent op landelijke afweging en onderlinge competitie tussen onderzoekers zal naar de mening van dit deel een extra stimulans zijn voor kwaliteit. Het meent voorts dat vernieuwing van de NWO, een voorwaarde voor de overheveling, in elk geval zal moeten inhouden een toename van de interdisciplinaire samenwerking, programmering op basis van meerjarenplanning en ontvlechting van het eigen NWO-instituutsonderzoek en de budgetallocatie. Het adviseert ten slotte het te verschuiven budget vooralsnog lager vast te stellen bijvoorbeeld op 300 miljoen gulden en bij de kabinetsformatie afspraken te maken over het resterend deel.

Een ander deel van de raad3 wijst het voornemen van de minister af. Dit deel acht de noodzaak van de voorgestelde overheveling onvoldoende onderbouwd. Het is er niet van overtuigd dat een sterkere landelijke sturing op maatschappelijke prioriteiten wenselijk is, en evenmin meent dit deel dat meer competitie zal leiden tot een hogere kwaliteit van het wetenschappelijk onderzoek. Dit deel wijst voorts op de toenemende transactiekosten en verdere bureaucratisering die uit het voornemen voortvloeien.


1Dit advies, dat voorbereid is door de werkgroep HOOP 1998 van de Commissie Arbeidsmarktvraagstukken, onder voorzitterschap van prof.dr. W. Van Voorde, is vandaag door de raad vastgesteld.
2De ondernemersleden, de werknemersleden en de kroonleden Bakker, Don, Linschoten, Rosenthal en De Vries
3De kroonleden mevr. Asscher-Vonk, mevr. Groenman, Halberstadt, Kolnaar, mevr. Lodders-Elfferich en Rood.


Noot voor de redactie
Nadere informatie is verkrijgbaar bij de secretaris van de werkgroep HOOP 1998: Hans van der Meer, tel. 070 - 3499 541 of bij Jeroen Zonneveld, tel. 070 - 3499 649