Home | Publicaties | SERmagazine | 2008 | Artikelen september 2008 | Sociaal vertrouwen is niet af te dwingen

Sociaal vertrouwen is niet af te dwingen

Het vertrouwen dat mensen hebben in elkaar en in de samenleving valt niet af te dwingen door het zo veel mogelijk uitbannen van onzekerheden. Dat was de boodschap van Pauline Meurs, die samen met twee andere hoogleraren begin deze maand de eerste Verwey-Jonker-lezing voor haar rekening nam. De pogingen van veel maatschappelijke instellingen als ziekenhuizen om zich te rechtvaardigen via meetbare indicatoren kan zelfs contraproductief uitpakken, zo waarschuwde de Rotterdamse hoogleraar bestuur van de gezondheidszorg.

Jan Buevink

Meurs wees erop dat Nederland in betrekkelijk korte tijd veranderd is van een high trust-samenleving in een low trust-samenleving. Het vertrouwen in overheid en politiek is flink afgenomen, maar ook maatschappelijke instellingen liggen onder vuur. Kranten schrijven regelmatig over falende scholen en thuiszorginstellingen die niet de zorg leveren die van hen verwacht mag worden.

Een van de manieren waarop politici en bestuurders met dat afnemende vertrouwen omgaan, is door het opvoeren van verantwoording en controle. Onderwijsinstellingen en ziekenhuizen moeten steeds meer informatie leveren over waar ze mee bezig zijn en wat ze presteren. Via meetbare indicatoren moeten ze hun inzichtelijkheid en voorspelbaarheid vergroten, waardoor het vertrouwen zou moeten toenemen.

“Deze manier van vertrouwen bevalt me niet”, zei Meurs. Ze wees erop dat veel prestatie-indicatoren weinig zeggen over daadwerkelijke kwaliteit en ook nog eens een middelmatigheid in de hand werken die ervoor zal zorgen dat burgers nog minder enthousiast worden over hoe scholen en ziekenhuizen presteren.

Een zelfde manier van omgaan met onzekerheid ziet Meurs ook in de politiek. Politici proberen krampachtig om de kloof die er zou zijn met burgers, te dichten door hun handelen af te stemmen op wat zij denken dat de gemiddelde burger van hen verwacht. Daardoor vergroten ze misschien hun voorspelbaarheid, maar schieten ze tekort in hun eigenlijk taak: het betrekken van verschillende belanghebbenden en het inbrengen van verschillende opvattingen. Het vertrouwen in hen zal daardoor alleen maar afnemen, waarschuwde Meurs. In het integratiedebat wordt volgens haar een soortgelijke denkfout gemaakt. Het opschroeven van de eisen aan nieuwkomers moet leiden tot een grotere voorspelbaarheid. “Eerst moeten ze worden zoals wij. Pas dan kan er sprake zijn van vertrouwen.”

Werken aan vertrouwen is volgens haar dan ook alleen mogelijk als mensen bereid zijn om onzekerheden toe te staan. Volgens Meurs is sociaal vertrouwen vooral een kwestie van durf.

Tijdschrijfsystemen

Van vertrouwen is ook veel te weinig sprake in de relatie tussen werkgevers en werknemers, stelde Aukje Nauta, hoogleraar prosociaal gedrag en senior HR-consultant bij Randstad. “Voor werknemers is het momenteel niet makkelijk om hun broodheer te vertrouwen, want er komen voortdurend grote veranderingen op hen af.” Dat gebrek aan vertrouwen maakt werknemers onzeker, zo stelde zij. Het leidt ertoe dat ze nauwelijks zin hebben om bijvoorbeeld cursussen te volgen. Het human resource management van Nederlandse ondernemingen mag er dan op papier goed uitzien, door het gebrek aan vertrouwen komt er in de praktijk onvoldoende van terecht.

Dat gebrekkige vertrouwen komt voor een deel omdat organisaties vaak signalen uitzenden die het wantrouwen voeden: tijdschrijfsystemen, beoordelingsformulieren en dikke cao’s. Andersom is volgens Nauta ook mogelijk. Als werkgevers met hun werknemers afspraken over zaken als parttimewerk of thuiswerk kunnen maken waar ze beiden belang bij hebben, kunnen ze juist het vertrouwen stimuleren. Werknemers die dat soort afspraken hebben weten te maken, zijn meer bereid om te werken aan de eigen ontwikkeling en voelen zich meer betrokken bij hun onderneming. Vertrouwen groeit ook als een werkgever zich in de positie van de werknemer weet te verplaatsen, en omgekeerd.

In dit soort individuele benaderingen heeft Nauta meer vertrouwen dan in een concept als flexicurity, dat gezien wordt als een mogelijkheid om organisaties flexibeler te maken en tegelijkertijd werknemers zekerheid te geven. “Grote kans dat dat zich vertaalt in abstracte sociale akkoorden en cao-afspraken die nauwelijks oplossingen bieden voor mensen op de werkvloer. Laat staan dat werknemers er meer vertrouwen van krijgen in hun werkgever.”

“Vertrouwen laat zich niet instrumentaliseren”, waarschuwde Nauta. Het gaat erom dat werknemers en hun leidinggevenden daadwerkelijk met elkaar in contact komen. “Samen komen ze er wel uit.”

“Veel van wat nu misgaat in de samenleving, wordt toegeschreven aan een gebrek aan vertrouwen”, analyseerde Beate Völker, evenals Nauta hoogleraar prosociaal gedrag. “Maar vertrouwen is een begrip dat bij sterke bindingen hoort. Buren en collega’s zijn geen vrienden, zij hebben geen sterke bindingen. Dus misschien beklagen we nu een verlies van iets dat in deze vorm nooit heeft bestaan.”

Al dat gepraat over sociaal vertrouwen is interessant, maar is het echt datgene waar het om gaat, vroeg Völker zich af. Vertrouwen is een houding, veel belangrijker is wat mensen doen. Voor veel handelingen is zelfs helemaal geen vertrouwen nodig, zo stelde ze. Het gaat erom dat een samenleving in staat is om collectieve goederen te produceren die voor iedereen zijn en waarvan niemand uitgesloten kan worden. “Die laten mensen beseffen dat ze deel zijn van een geheel.”

Uit haar eigen onderzoek in wijken was naar voren gekomen dat vertrouwen slechts één van de factoren is die een rol spelen bij het tot stand komen van die goederen. Inkomen speelt ook een rol, evenals etnische samenstelling. Overigens was geen van die factoren sterk genoeg om alleen een substantiële invloed uit te oefenen. “Het gaat om de combinaties.”


De eerste Hilda Verwey-Jonker-lezing

Om te herdenken dat een eeuw geleden Hilda Verwey-Jonker werd geboren, organiseerden de SER en het Verwey-Jonker Instituut op 3 septem-ber een middag die aan haar was opgedragen.

Verwey-Jonker, die in 2004 overleed, was het eerste vrouwelijke kroonlid van de SER. Ze zat in de raad van 1956 tot 1972. Een tijdlang was ze ook lid van het dagelijks bestuur. Later werd ze de naamgeefster van het Verwey-Jonker Instituut, dat dit jaar vijftien jaar bestaat. Haar politieke, maatschappelijke en wetenschappelijke bijdragen zijn nog steeds een bron van inspiratie voor velen.

Voor beide instellingen was dit alles voldoende reden om in de geest van Verwey-Jonker een nieuwe impuls te geven aan het debat over maatschappelijke samenhang en vernieuwing. Een impuls in de vorm van een ferm, gedreven betoog met oprechte zorg en betrokkenheid dat oproept tot discussie.

‘Sociaal Vertrouwen’ was het centrale thema van deze eerste lezing, die op 3 september in het SER-gebouw werd gehouden door Pauline Meurs, hoogleraar bestuur van de gezondheidszorg aan de Erasmus Universiteit en PvdA-senator. Meurs, die tot begin dit jaar lid was van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, had daarbij de ondersteuning van twee coreferenten, allebei hoogleraar prosociaal gedrag (handelingen gericht op het welzijn van anderen). Aukje Nauta bekleedt een leerstoel aan de Universiteit van Amsterdam en benadert het onderwerp vanuit een sociaal- en organisatiepsychologisch perspectief. Beate Völker doet aan de Universiteit Utrecht onderzoek naar de sociologische determinanten van prosociaal gedrag.


‘Putnam gaat te kort door de bocht’

Vorig jaar haalde de Amerikaanse socioloog Robert Putnam de media met zijn onderzoek waaruit bleek dat het sociaal vertrouwen in een wijk daalt als de etnische verscheidenheid toeneemt. Als een omgeving raciaal of etnisch meer divers is, krijgen mensen minder vertrouwen, zelfs in de mensen die dezelfde raciale of etnische achtergrond hebben als zijzelf. Putnam noemde dit het schildpadeffect.
Maar Putnam ging hierbij wel erg kort door de bocht, stelde Beate Völker, hoogleraar prosociaal gedrag aan de Universiteit Utrecht, tijdens de Verwey-Jonker-lezing. Volgens haar vertoonde Putnams analyse veel sterkere verbanden dan die tussen etnische diversiteit en wantrouwen.

“Factoren als armoede en criminaliteit voorspellen wantrouwen veel meer.” Bovendien waren Putnams uitkomsten hetzelfde voor een persoon die in een wijk woont waar 80 procent van de bewoners een vergelijkbare achtergrond heeft, als voor een persoon die in een wijk woont waar 80 procent een andere achtergrond heeft. “Zijn analyse is – mild gezegd – vatbaar voor kritiek.” 
 
SER-bulletin september 2008