Home | Publicaties | SERmagazine | 2007 | Artikelen november 2007 | Het poldermodel vanaf 1500

De Heren Zeventien als poldercollege

Als er ooit een verkiezing komt van de meest succesvolle Nederlandse onderneming aller tijden, zal de Verenigde Oostindische Compagnie hoog scoren. Vanaf haar oprichting in 1602 was ze zo’n kleine twee eeuwen lang het grootste bedrijf ter wereld. De VOC werd op een typisch Nederlandse manier bestuurd. Maar was het daarmee ook al een vroege exponent van het poldermodel?

Jan Buevink

In het boek ‘Harmonie in Holland’ legt historicus Femme Gaastra de VOC naast haar Engelse collega de East India Company. De vergelijking van deze bedrijven, die inmiddels al weer dik twee eeuwen geleden van het toneel verdwenen, is interessant in het licht van de discussie over het aandeelhouderskapitalisme met zijn alles overheersende streven naar winstmaximalisatie. Politici, wetenschappers en journalisten houden zich bezig met de vraag hoe het Angelsaksische ondernemingsmodel zich verhoudt met de waarden van het Europese vasteland, waar niet alleen de aandeelhouders centraal staan, maar alle stakeholders.

Pikant genoeg is dat aandeelhouderskapitalisme nou juist een uitvinding van dat vasteland. De VOC was de eerste onderneming die op deze manier gefinancierd werd. Veel macht hadden die eerste aandeelhouders overigens niet. Ze kregen hun dividend, maar moesten de zeggenschap overlaten aan de Heren Zeventien, die op hun beurt verantwoording aflegden aan de ongeveer zestig bewindvoerders, verdeeld over de zes steden (kamers) waar de VOC gevestigd was.

De multinational uit de Gouden Eeuw werd bestuurd door een collectief bestuur bij uitstek, benadrukt Gaastra, die er fijntjes op wijst dat anno 2007 vrijwel niemand zich nog maar één individuele VOC-bestuurder kan herinneren. De Heren Zeventien waren niet gelijkelijk over de steden verdeeld. Het machtige Amsterdam had het grootste contingent, gevolgd door Middelburg. Nadrukkelijk was er op gelet dat geen van de steden een meerderheid had. Als het de Heren Zeventien, die drie keer per jaar enkele weken bijeenkwamen in een van de deelnemende steden, niet lukte om overeenstemming te vinden, moesten ze terug naar hun achterban voor beraad. Het VOC-bestuur vertoonde zo grote gelijkenis met dat van de republiek waarin de zeven provincies het onderling eens moesten zien te worden in de Staten-Generaal.

Het was het zeker geen inefficiënte bestuursvorm, concludeert Gaastra. Door vooraf vast rekening te houden met de standpunten van andere provincies konden de bestuurders hun vertegenwoordigers op pad sturen met alternatieven en terugvalopties. Ook konden ze voorlopige beslissingen nemen.

In de praktijk was het volgens Gaastra wel zo dat een kleine elite in de achterkamers de daadwerkelijke beslissingen nam. Het nut van de formele besluitvormingsprocedure lag dan vooral in het grotere draagvlak dat ontstond doordat een veel grotere groep erbij betrokken werd.

Bij de Engelse tegenvoeter van de VOC, die tot halverwege de zeventiende eeuw per expeditie werd gefinancieerd en pas vanaf 1657 over een permanent aandelenkapitaal kon beschikken, ging het er heel anders aan toe. Daar waren de aandeelhouders de baas. De aandeelhoudersvergadering koos de 24-koppige raad van directeuren. De verschillende bestuursculturen leidden er volgens Gaastra toe dat in Engeland veel meer een openbare discussie ontstond over het beleid van de EIC, bijvoorbeeld over de slavernij. Maar of de ene cultuur nu succesvoller was dan de andere? Gaastra durft het niet te zeggen.

Bewonderd
 

Het verhaal van hoogleraar maritieme geschiedenis Gaastra vormt een van de hoofdstukken van een net verschenen bundel van elf historici die zich op het poldermodel gestort hebben. Allemaal werken ze voor de sectie Vaderlandse Geschiedenis van de Universiteit Leiden. Bij een aantal hoogtepunten uit de Nederlandse geschiedenis vragen ze zich af of die tot stand zijn gekomen volgens de regels van het poldermodel. Typisch Nederlandse bestuursvormen uit vroeger tijden worden met dezelfde bril bekeken.

Natuurlijk lopen ze daarbij allemaal aan tegen de vraag wat dat poldermodel nou precies is. Dat is nog niet zo eenvoudig. Tekenend is dat deze fine fleur van de vaderlandse historici er niet in slaagt om de exacte herkomst van de term te achterhalen. Wel staat vast dat hij voor het eerst gebruikt is in de jaren negentig van de vorige eeuw waarbij hij aanvankelijk betrekking had op de manier waarop werkgevers en werknemers in Nederland met elkaar omgaan. Daarna begon het begrip aan een enorme vlucht, waarbij niet alleen de betekenis verwaterde maar ook de waardering veranderde. In zijn relatief korte bestaan is het poldermodel bewonderd, verguisd en geherwaardeerd.

Een van de mensen die aan die herwaardering hebben bijgedragen was middeleeuws historicus Herman Pleij. Zo schreef hij twee jaar geleden het boekje Erasmus en het Poldermodel waarmee hij zelfs op tournee ging langs verschillende theaters. Hun vakgenoot Pleij was overduidelijk ook de inspirator van verschillende auteurs van dit nieuwe boek. Overigens niet alleen in positieve zin. Erasmus en het Poldermodel is niet veel meer dan een opeenstapeling van sweeping statements, oordeelt Henk te Velde. De hoogleraar vaderlandse geschiedenis, die ook tekende voor de redactie van deze nieuwe bundel, vindt dat bij studies naar de historische wortels van de overlegcultuur veel te makkelijk naar het heden toe geredeneerd wordt.

Münster
 
Te Velde en zijn vakgenoten wilden het iets gedegener aanpakken. In hun ogen gaat het bij het poldermodel om een institutionele structuur, een geest van vreedzaam overleg gericht op consensus, de betrokkenheid van alle partijen op een zekere voet van gelijkheid, conclusies die niet eenzijdig worden afgedwongen en een pragmatische erkenning van pluriformiteit, waarbij het overigens niet is uitgesloten dat uiteindelijk het recht van de sterkste zegeviert.

Die definitie levert een inte-ressante invalshoek om naar de Vrede van Münster of de Pacificatie van 1917 te kijken. Wie dat doet, ziet zeker paralellen met de overlegeconomie anno 2007, maar net zo goed grote verschillen. Voor een beter begrip voor de manier waarop werkgevers, werknemers en overheid nu met elkaar omgaan, zou een nieuw boek over de overlegeconomie veel nuttig werk kunnen doen. Zeker als dat zo leesbaar zou zijn als dit.

Harmanie in Holland; het poldermodel van 1500 tot nu.
Diverse auterus van sectie Vaderlandse Geschiedenis Universiteit Leiden, € 17,50