Marco Wilke is anders dan de meeste kroonleden van de SER géén hoogleraar. Geen bezwaar, vindt het nieuwe kroonlid zelf, integendeel. Hij is directeur van de sociale dienst van de gemeente Dordrecht en heeft dag in dag uit te maken met uitvoeringskwesties in de sociale zekerheid. Het kan geen kwaad, vindt hij, als de academische blik die veel kroonleden eigen is, aangevuld wordt met oog voor de uitvoeringspraktijk.
Hanne Obbink
Even een misverstand uit de wereld helpen: Marco Wilke is géén lid van GroenLinks. Bij het benoemen van SER-kroonleden wordt er in het algemeen voor gezorgd dat hun politieke achtergrond een afspiegeling is van de verhoudingen in de samenleving als geheel. In dat opzicht was GroenLinks nu ‘aan de beurt’ om een kroonlid te leveren. Vandaar misschien het misverstand. Maar Wilke is dus geen Groen Links-lid. “Ik heb wel eens iets voor GroenLinks gedaan en ook wel voor de Partij van de Arbeid. Maar ik ben van geen enkele politieke partij lid. Ik vind ook dat dat geen rol zou moeten spelen. Eigenlijk vind ik dat een vacature bij de SER gewoon in de krant zou moeten staan. Dat zou veel zuiverder zijn, dan kan iedereen die dat wil solliciteren. Maar ik wil niet roomser zijn dan de paus, hoor. Het streelt je ijdelheid wel als je gevraagd wordt, en ik heb geen nee gezegd.”
Wilke heeft er, als dit gesprek plaatsvindt, net één vergadering opzitten. Hij weet inmiddels wat groene en witte versies van SER-rapporten zijn en stelt ook vast: “Als je vindt dat je te weinig post krijgt, moet je lid van de SER worden: ik krijg vier of vijf keer in de week post.” Zijn eerste indrukken komen ongeveer overeen met wat hij verwacht had. “De omgang tussen de SER-leden is enerzijds nogal formeel, maar anderzijds kun je merken dat ze elkaar kennen als hun broekzak, zeker de vertegenwoordigers van werknemers en werkgevers. Ik viel middenin een discussie die al wel een half jaar liep, en dan ligt het niet voor de hand meteen het hoogste woord te hebben. Maar me gedeisd houden is niet mijn sterkste kant. Dat lijkt me ook het leuke van de functie van Kroonlid: je kunt gewoon vrijuit, zonder last of ruggespraak spreken. In veel functies spreek je toch namens een achterban of een bovenban of wat voor ban dan ook.”
Wilke is inderdaad nauwelijks anders gewend. Van 1990 tot 1998 werkte hij bij de AbvaKabo FNV, eerst als hoofd van de centrale staf, vanaf 1995 als landelijk bestuurder. Vooral in die tweede functie moest hij rechtstreeks onderhandelen met zijn achterban in de bond. “In onderhandelingen met werkgevers zit je als professionals met elkaar aan tafel, dat is vaak nogal overzichtelijk. Maar je eigen achterban is veel veelkleuriger. De onderhandelingen die je op dat front moet voeren, vond ik daardoor ook veel gecompliceerder, maar ook boeiender. Ik ben bijvoorbeeld bezig geweest met een landelijke CAO voor het stadvervoer en moest dus ook steun zien te krijgen van het personeel van het Amsterdamse Gemeentevervoerbedrijf. Nou, daar zitten echt geharnaste vakbondsmensen die ik ook niet heb kunnen overtuigen. Toch waren zulke onderhandelingen voor mij de krenten in de pap.”
Vóór zijn vakbondscarrière had Wilke de wetenschap als werkgever. Hij studeerde economie en was vervolgens vier jaar assistent in opleiding aan de Katholieke Universiteit Brabant. Daar schreef hij een proefschrift over ‘corporatism and stability of capitalist democracies’. Maar daarmee was zijn wetenschappelijke carrière voorlopig voorbij. “Ik ben te weinig geduldig voor de wetenschap. Bovendien vond ik dat je voor een wetenschappelijke loopbaan briljant moest zijn. En dat vond ik mezelf ik niet.” Desalniettemin was Wilke vanaf 1995 ook nog een paar jaar bijzonder hoogleraar op het gebied van de arbeidsvoorwaardenvorming in de overheidssectoren, op de zogeheten Albeda-leerstoel aan de Erasmus Universiteit. Een beetje toeval, zegt Wilke. “Ze vroegen iemand die gepromoveerd was én verstand had van arbeidsvoorwaarden bij de overheid. Daar zijn er niet veel van.”
Sinds 1998 is Wilke directeur van de Sociale Dienst van de gemeente Dordrecht en in die hoedanigheid is hij vooral manager en uitvoerder van opdrachten uit de politiek. “De zaken goed laten lopen”, zo omschrijft hij zijn taak. “Ik heb, anders dan sommige directeuren van overheidsdiensten, geen politieke ambities. Als de politiek iets wil wat ik niet slim vind, probeer ik ze wel van mijn standpunt te overtuigen. Maar als dat niet lukt, beschouw ik dat als een gegeven. Dan voer ik gewoon uit wat de politiek heeft besloten.” Juist vanwege die niet-politieke taakopvatting verwacht Wilke dat het werk voor de SER voor een welkome afwisseling zal zorgen: daarin kan hij zijn politieke opvattingen wél kwijt.
“Het boeiendst vind ik het om me naast het praktische werk ook op conceptueel niveau met sociaal-economische aangelegenheden bezig te houden. Hier in Dordrecht wordt dat niet van me gevraagd, bij de SER wel.”
Die combinatie van werkzaamheden zal zijn inbreng in de SER kleuren, verwacht Wilke. “Ik denk dat ik veel oog zal hebben voor uitvoeringskwesties. Daarin ben ik vast niet de enige in de SER, hoor. Maar als ik kijk naar het gezelschap kroonleden, zie ik vooral mensen die hun brood verdienen als hoogleraar. Die bekijken sociaal-economisch beleid in eerste instantie door een academische bril, ze zijn geneigd logisch naar een goed advies toe te redeneren. En ook werknemers- en werkgeversorganisaties kijken niet primair naar de uitvoering, die letten vooral op het belang van hun achterban. Maar ik heb er in mijn werk erg veel mee te maken, dan sta je daar automatisch eerder bij stil.”
Wilke hoeft niet lang na te denken over voorbeelden van kwesties op SER-terrein waarin de uitvoeringspraktijk onderbelicht blijft. Allereerst noemt hij de WAO. “De kwaliteit van de keuringsartsen is misschien wel een veel belangrijker knelpunt dan welk onderdeel van het gekozen model dan ook”, zegt hij. Met een tweede voorbeeld heeft Wilke dagelijks te maken: de uitvoeringsstructuur van de sociale zekerheid. Zijn eigen sociale dienst heeft per 1 juli de acht medewerkers die zij gedetacheerd had bij het nieuwe Centrum voor Werk en Inkomen zelfs teruggetrokken. Dat CWI schrijft volgens de Dordrechtse sociale dienst werkzoekenden te snel in voor een uitkering, terwijl de sociale dienst de afgelopen jaren juist succes boekte met het terugdringen van het aantal bijstandsuitkeringen.
“In feite zijn de CWI’s de opvolger van de Arbeidsvoorziening”, legt Wilke uit. “Maar bij die arbeidsvoorzieningsorganisatie is al tien jaar gedonder. Als je zo’n organisatie er taken bij geeft zonder extra middelen te geven, dan wéét je dat er zaken fout zullen gaan. Vanuit de logica van de structuur, vanuit het theoretische model is dat niet relevant. Maar het is wel wezenlijk voor hoe het in de praktijk gaat. En het gaat nu dus fout. De gedachte was dat de CWI’s werk boven inkomen moeten stellen. Ze zouden als poortwachter moeten functioneren om ervoor te zorgen dat er minder mensen een uitkering instromen. Maar de CWI’s zijn daar nog lang niet klaar voor, ze zijn allang blij als ze de meest basale dingen voor elkaar hebben. En dus komt er van de bedoelingen niets terecht, en stromen er eerder meer mensen een uitkering in.”
Is deze gang van zaken te wijten aan een slecht SER-advies? Natuurlijk niet, zegt Wilke, want uiteindelijk heeft de politiek – en niet de SER – de beslissingen genomen. Maar, voegt hij eraan toe, “het zou niet slecht zijn geweest als het kabinet zwaarder was geadviseerd over uitvoeringskwesties.”