De integratie van allochtonen in Nederland beheerst momenteel het publieke debat. Mede naar aanleiding van het essay ‘Het multiculturele drama’ van publicist Paul Scheffer wordt in de media en in de Tweede Kamer volop gediscussieerd over de vraag of het minderhedenbeleid van het kabinet de afgelopen jaren wel effectief is geweest. ‘Lang niet altijd’, is meestal het antwoord. Dat blijkt ook uit het Ontwerpadvies ‘Intensivering arbeidsmarktbeleid etnische minderheden’ van de Commissie Arbeidsmarktvraagstukken van de SER.
Hans van der Jagt
De schappen lijken goed te beseffen dat het informeren van zowel de eigen kring als het grote publiek steeds belangrijker wordt en een wezenlijk onderdeel van hun taak. Toch vallen nut en noodzaak van de product- en bedrijfschappen niet altijd gemakkelijk in een paar woorden uit te leggen. In brede kring klinken de slogans uit promotiecampagnes meer dan bekend. Dankzij radio- en tv-spotjes kent iedereen de winterschilderregeling (Bedrijfschap Schilders- en Afwerkingsbedrijf), 'Kijk eens vaker in de spiegel van de kapper’ (Hoofdbedrijfschap Ambachten) (melk. De Witte Motor (Productschap Zuivel) en ‘Brood, daar zit wat in’ (Productschap Granen, Zaden en Peulvruchten). Maar dat de schappen zich ook bezighouden met onderzoek, innovatie, kwaliteitsbeleid, milieu, vakopleidingen en arbeidsomstandigheden, om maar eens een paar taken te noemen, is bij veel minder mensen bekend. Laat staan dat men weet dat de productschappen een soort overheid zijn voor de eigen bedrijfstak, compleet met de bevoegdheid om verordeningen op te leggen.
Om aan het nodige geld te komen waarmee al die taken worden uitgevoerd, hoeven de schappen niet per se de boer op. De financiering is immers wettelijk geregeld. Iedere ondernemer die onder de werkingssfeer van een schap valt, is verplicht een jaarlijkse bijdrage te betalen waardoor gratis meeliften is uitgesloten. De schappen zijn zich ondanks die gegarandeerde geldstroom zeer bewust van de noodzaak zich tegenover sector en samenleving te verantwoorden over de besteding van het geld. Nagenoeg alle schappen beschikken over informatieve internetsites, laten zich zien en horen op vakbeurzen of geven nieuwsbrieven, vakbladen en ander voorlichtingsmateriaal uit.
Creatieve oplossingen
De kracht van de schappen is dat ze deuren kunnen openen die voor individuele ondernemers, zelfs grote spelers in de markt, in veel gevallen gesloten blijven. Een krachtig staaltje hiervan werd in de jaren tachtig en negentig geleverd door een lobby van het Productschap Tuinbouw. Na jaren van onderhandelen lukte het nog altijd niet de interessante Japanse markt open te breken voor de export van bloembollen en bloemen. De Japanners bleven deze producten wantrouwen, omdat ze als eilandbewoners als de dood waren voor schadelijke insecten en virussen van het vasteland. Import zou slechts mogelijk zijn na controle op de Japanse luchthavens. Zo’n inspectie in het afzetland zou partijen verse snijbloemen na eventuele afkeuring in één klap waardeloos maken voor verdere handel naar landen met een minder streng toegangsregime. Tot het productschap op het lumineuze idee kwam Japanse keurmeesters uit te nodigen hun controles niet in eigen land, maar al veel eerder uit te voeren, namelijk op de bloemenveiling van Aalsmeer. Diezelfde Japanners houden inmiddels ook toezicht op de export van allerlei andere tuinbouwproducten naar hun land, zoals paprika’s, tomaten en komkommers. Beide partijen zijn zeer tevreden over deze creatieve oplossing die voor de Nederlandse tuinbouw een imposante uitbreiding van de exportmarkt opleverde. Op dit moment wordt ook met de Chinese autoriteiten onderhandeld over een betere toegang tot een minstens zo interessante markt.
Kenniscentra Een aantal productschappen voert overheidsmaatregelen uit en fungeert als een soort overheid binnen de bedrijfstak. Bij het Productschap Zuivel bijvoorbeeld is tweederde van het personeel dagelijks bezig met deze ‘medebewindstaken’, waarvan de bekendste wel de uitvoering van de superheffing is. Maar het schap is zeker niet uitsluitend een registratiekantoor. Zo worden met door de sector bijeengebrachte middelen zuivelpromotie, kwaliteits- en zuivelonderzoek en diergezondheid gefinancierd. Daarnaast wordt veel energie gestoken in collectief praktijkonderzoek voor de melkveehouderij. Op een aantal proefboerderijen wordt geëxperimenteerd met zaken als biologische productie, bemesting, diervoeding, toepassing van nieuwe technologieën, automatisering en kostenbesparing. Want hoe gemoderniseerd deze sector ook is, het kan altijd beter, efficiënter, schoner, milieu- en diervriendelijker.
Product- en bedrijfschappen zijn dé organen waar specifieke kennis en informatie over relevante ontwikkelingen in de bedrijfstak samenkomen. De schappen zijn ware kenniscentra die als vraagbaak fungeren voor ondernemers, werknemers, maar ook voor (particuliere) opdrachtgevers. Door middel van onderzoek in de diepte en breedte wordt kennis over de markt en de producten steeds geactualiseerd. “We hebben als bedrijfschap meer dan veertig jaar kennis opgestapeld en daarmee een zeer waardevolle gemeenschappelijke kennisinfrastructuur opgebouwd”, zegt mr. E. van Hal van de Bedrijfschap Schilders- en Afwerkingsbedrijf. ,,De vrijelijke beschikbaarheid van die kennis staat bij ons voorop. Binnen de bedrijfstak zijn er natuurlijk ook private organisaties die op technisch vlak veel onderzoek doen, maar de resultaten daarvan zijn exclusief voorbehouden aan de opdrachtgevers. De groep die profijt kan trekken van de knowhow van de schappen is vele malen groter.” Uit de koker van het bedrijfschap komt ook de bekende winterschilderregeling, die er aan heeft bijgedragen dat de seizoenswerkloosheid binnen de branche aanzienlijk is teruggelopen. De collectief uitgevoerde premieregeling is bedoeld om opdrachtgevers te prikkelen opdrachten zoveel mogelijk in het winterseizoen te laten verrichten. De campagne stoort zich de laatste jaren steeds minder aan de seizoenen en begint meer en meer een ware imagocampagne voor de schilder te worden. De technische mogelijkheden om ook in de winter afgeschermd buitenwerk te doen zijn langzamerhand zo groot geworden dat de traditionele seizoensdip steeds minder een probleem wordt. De beeldvorming van de schilder staat daarentegen een gezonde ontwikkeling van de branche meer en meer in de weg. Van Hal: “In Nederland bestaat van de schilder nog vaak het beeld van de man in de vieze overall die dingen doet die iedereen zelf ook kan. Zo’n negatief beeld heeft weer ernstige gevolgen voor de instroom van jonge schilders. Het is dus van levensbelang dat het beeld van de schilder meer gaat aansluiten bij de werkelijkheid.”
Onderwijs Instroom van jong personeel is voor praktisch alle sectoren een probleem, want na de oorlog was de arbeidsmarkt zelden zo krap als nu. De detailhandel, de horeca, maar bijvoorbeeld ook de visserij kampen met een fors personeelsvraagstuk. Reden voor het Productschap Vis flink te investeren in de opleiding van jonge vissers. Het schap steunt de vijf scholen voor visserijonderwijs op alle fronten, van de werving van leerlingen tot de verzorging van leermiddelen. Volgens secretaris H. van der Bend is de markt voor de specialistische leerboeken te smal voor een commerciële uitgever. De steun van het schap maakt het voortbestaan van de kleine visserijscholen in de traditionele visserijgemeenten als Urk, IJmuiden en Stellendam mogelijk, waar ze anders zeer waarschijnlijk ten onder zouden gaan in de fusiedrang die het beroepsonderwijs de laatste jaren kenmerkt. De visserijsector kent enkele grote, maar vooral veel kleine zelfstandige ondernemers. Volgens Van der Bend is financiering van het onderwijs, dat zo essentieel is voor de toekomst van de beroepsvisserij, uitsluitend mogelijk dankzij collectieve heffingen. “We zijn net klaar met een project waarvoor we nieuwe leerboeken hebben laten ontwikkelen. Dan praat je al gauw over honderdduizenden guldens. Dat soort bedragen kan nooit worden opgebracht door individuele ondernemers.”
Brede blik Veel zaken waar de schappen zich mee bezighouden zijn branchegericht en vooral voor de bedrijfsgenoten relevant. Dan gaat het vaak om Europese regels die vertaald moeten worden naar de specifieke situatie in de sector. Dat neemt niet weg dat uit Brussel met de regelmaat van de klok ook nieuwe maatregelen komen waarmee iedere Nederlander te maken heeft en die door de schappen niet alleen naar het bedrijfsleven, maar ook naar de consument vertaald worden. Een voorbeeld hiervan is de invoering van de euro. Bedrijfschappen zoals het Hoofdbedrijfschap Detailhandel (HBD) en het bedrijfschap Horeca buigen zich al jaren over de materie. Ze letten daarbij op het directe ondernemersbelang (invoering moet betaalbaar blijven), op de noodzaak van goede begeleiding van het personeel dat straks met de nieuwe munt moet gaan werken en op de acceptatie door de consument. Want ook dat hoort bij de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie: het steeds weer kijken naar de consequenties van overheidsbeleid en nieuwe regels. Door de ogen van de ondernemer, maar ook door die van de werknemer en de samenleving in bredere zin. In de horeca praat men over zinloos geweld en de gevolgen voor personeel en publiek, in de detailhandel worden werknemers getraind in het omgaan met agressieve klanten en in de afbouw wordt nagedacht over maatregelen tegen de schadelijke werking van vluchtige stoffen. In elke sector spelen weer andere zaken die een grote invloed hebben op het werkklimaat en de arbeidsomstandigheden. Vaak gaat het om overheidsbeleid dat met behulp van de schappen in de ondernemingen concreet wordt vormgegeven. Een voorbeeld daarvan: in de bakkerijsector, waar veel met meel wordt gewerkt, is de aanpak van grondstofallergie momenteel een actueel thema. Om de arbeidsongeschiktheid als gevolg van deze ‘bakkersastma’ terug te dringen zijn tussen overheid en alle partijen in de sector afspraken gemaakt, waarbij het Productschap Granen, Zaden en Peulvruchten als bruggenbouwer en intermediair optreedt. De kans dat preventieve maatregelen doel treffen, is aanzienlijk groter wanneer daar binnen de sector een groot draagvlak voor bestaat.
E-commerce Om een bedrijfstak verder te ontwikkelen en te moderniseren, is permanent onderzoek nodig. Branchegerichte onderzoeken, of onderzoek dat sectorbreed wordt uitgevoerd, kan waardevolle informatie opleveren over technologische ontwikkelingen die niet gemist mogen worden. In de detailhandel en de ambachten werd enige jaren geleden een uitgebreid onderzoek gedaan naar de toepassing van informatie- en communicatietechnologie. De uitkomsten gaven aanleiding om tot onmiddellijke actie over te gaan omdat grote delen van de bedrijfstak op achterstand dreigden te raken. Met name de kleinere ondernemers bleken afwachtend te staan tegenover de nieuwe ICT-mogelijkheden omdat ze niet overtuigd waren van de toegevoegde waarde van het computergebruik in hun dagelijkse praktijk. Reden voor het Hoofdbedrijfschap Detailhandel samen met het Hoofdbedrijfschap Ambachten zware middelen in te zetten om de achterstand in te halen. In samenwerking met MKB-Nederland en het ministerie van Economische Zaken startten beide schappen een project dat de achterstand binnen drie jaren moet hebben weggewerkt.
In sommige sectoren hoeft een dergelijk inhaalslag niet meer gemaakt te worden. De bloemensector bijvoorbeeld ontdekte de enorme mogelijkheden van e-commerce al jaren geleden. Begin jaren negentig werd hier al fors geïnvesteerd in onderzoek en ontwikkeling door het Bedrijfschap voor de Groothandel in Bloemkwekerijproducten. Die vooruitziende blik begint nu zijn vruchten af te werpen en inmiddels loopt het bedrijfschap, dat binnenkort opgaat in het Hoofdbedrijfschap Agrarische Groothandel, voorop waar het gaat om toepassing van digitale technieken. In deze sector wordt al volop elektronisch gehandeld. Tussen de groothandel en de veilingen bestaat een intensieve elektronische informatiestroom van transactiegegevens. Bonnetjes en bestelformulieren zijn in Aalsmeer al lang verleden tijd. J.W. Wessel, secretaris van het bedrijfschap noemt het een typisch voorbeeld van een project waarbij lange adem vereist is. “Technisch gecompliceerd, relatief kostbaar en organisatorisch niet gemakkelijk. Typisch een zaak waarin een organisatie die niet op winst is gericht en voor de gehele sector actief is, een goede rol kan vervullen. Een bedrijfschap kan die lange adem opbrengen, individuele ondernemers niet, omdat ze hun inspanningen in klinkende munt willen zien uitbetaald. Dat geldt zelfs ook voor veel private organisaties als brancheverenigingen. De leden willen graag zien wat ze voor hun contributies terugkrijgen. Wessel spreekt in dit verband graag over ‘geduldig’ geld van de publiekrechtelijke organisaties, tegenover het ongeduldige geld uit de private sector.
Zuiver schap Het opvallendste schap is wel het Bosschap. Het is het kleinduimpje onder de schappen, maar toch heeft haar voortbestaan nooit ter discussie gestaan. Daarvoor is het Bosschap ook voor de overheid een te waardevol platform dat bruggen slaat tussen partijen met zeer verschillende belangen. Zo zijn behalve Staatsbosbeheer en de particuliere boseigenaren ook de natuurbeschermingsorganisaties bij het schap aangesloten. Voor een overheid is het in de regel knap lastig om die op één lijn te krijgen. Dat lukt het Bosschap heel vaak wel. Dhr. R. Nas, secretaris van het Bosschap: “Eigenlijk zijn wij naar de geest van de wet een van de meest zuivere schappen, in die zin dat het algemeen maatschappelijk belang bij ons dominant aanwezig is. In onze sector is ook maar beperkt sprake van vrije marktwerking. Van onze drie producten, natuur, recreatie en hout, is alleen het laatste onderdeel van de vrije markt. Om de andere twee te gelde te maken zijn we voortdurend in onderhandeling met de overheid. Instandhouding en het beheer van de bossen kan alleen bedrijfsmatig gebeuren en dat kost geld.”
Eigen schaduw Een rondgang langs product- en bedrijfschappen levert niet bepaald het beeld op van verstofte en ingedutte organen die de tijd hebben overleefd. Integendeel, de indruk die achterblijft, is dat hier organisaties en mensen aan het werk zijn die weten waar ze over praten. Organisaties die ook niet anders dan gewend zijn met een groothoeklens naar de problematiek in de sector te kijken, wat anders is dan bijvoorbeeld een belangenorganisatie die voor een bepaalde groepering verantwoordelijk is. Dat kan ook nauwelijks anders, want de besturen van de schappen worden zonder uitzondering gevormd door vertegenwoordigers van ondernemers en werknemers. Waarmee we de relatie kunnen leggen met het succes van het poldermodel. Een succes dat, zoals voormalig SER voorzitter Klaas de Vries al eens opmerkte, vooral te danken is aan instituties die bereid zijn op beslissende momenten over hun eigen schaduw heen te stappen.