Cultuur en crisis

Toespraak Willem van Oranjelezing 2009, van dr. A.H.G. Rinnooy Kan, voorzitter SER, vrijdag 19 juni, Het Prinsenhof, Delft.

Alleen het gesproken woord geldt.


Dames en heren,

De veiling van de kunstcollectie van de overleden modeontwerper Yves Saint Laurent en zijn partner Pierre Bergé heeft in februari jl. recordbedragen opgeleverd. Een schilderij van Henri Matisse bracht ruim 32 miljoen euro op, het hoogste bedrag dat ooit voor een werk van de Franse Fauvist op een veiling is neergeteld. Ook het veilinghuis Christie’s boekte dit jaar nog records bij de verkoop van werken van onder andere David Hockney en Claes Oldenburg.

Toch kunnen die records niet verhullen dat de culturele sector zwaar te lijden heeft onder de economische crisis. Het veilinghuis Sotheby’s Nederland ontslaat veel personeel en gaat terug van twaalf naar twee veilingen per jaar. Uit de collectie van Yves Saint Laurent werd een werk van Picasso niet eens verkocht. Er werd niet meer geboden dan de minimumprijs van ‘slechts’ 25 miljoen euro. En waar veilingen bij Christie’s en Sotheby’s de afgelopen jaren soms honderden miljoenen opbrachten, moeten zij het nu doen met relatief schamele opbrengsten van 50 tot 90 miljoen dollar.

Hoewel dit historisch lage opbrengsten zijn, zijn deze bedragen voor de meeste hedendaagse kunstenaars – en niet alleen voor hen – astronomisch hoog. De meeste kunstenaars leven in betrekkelijke armoede. Volgens Hans Abbing (zelf kunstenaar, econoom en socioloog) verdienen kunstenaars gemiddeld 30 tot bijna 100 procent minder dan in vergelijkbare beroepen. Zelfs Rembrandt en Van Gogh waren armoedzaaiers, al spelen daar ook andere factoren een rol, zoals slecht financieel beheer – ja, dat is van alle tijden! Natuurlijk zijn er uitzonderingen. Dat Damien Hirst zijn dieren op sterk water voor tientallen miljoenen weet te verkopen, is al een kunst op zich. De belangrijkste reden om ondanks de armoede die velen ten deel valt toch de kunst in te gaan, is de neiging van kunstenaars om boven geld de voorkeur te geven aan persoonlijke werkbevrediging, erkenning en status.

Volgens kunsteconoom Pim van Klink zorgt die roeping ervoor dat de culturele sector niet begrepen kan worden vanuit de traditionele economische theorie. In de kunsten is er geen sprake van de gebruikelijke schaarste. Er is juist een overaanbod dat voortkomt uit de behoefte van de aanbieders, de kunstenaars. Voor kunstenaars is arbeid niet een middel om hun consumptiebehoefte te bevredigen; het is een doel op zich. Op individueel niveau geldt dat misschien voor meer mensen, maar voor een sector als geheel is het bijzonder.

Cultuur in crisistijd

Betekent dat bijzondere karakter ook dat de culturele sector – afgezien van de veilingen – niet gevoelig is voor de economische crisis? Dat er hooguit wat meer overaanbod is?

Integendeel, uiteindelijk zullen er inkomsten moeten zijn en de tijd van zeer ruimhartige overheidssubsidies ligt achter ons. Private gelden zijn nu een belangrijke inkomstenbron. Juist die gelden zijn erg conjunctuurgevoelig. Bovendien hebben culturele fondsen ook last van het slechte beursklimaat. Het rendement op de beleggingen van het Prins Bernhard Cultuurfonds over 2008 was minus 3,2 procent. Naar omstandigheden lang niet slecht, maar toch.

Het bijzondere karakter van de culturele sector betekent wel dat algemene recepten om tijdens de economische crisis het hoofd boven water te houden, voor de kunsten vaak problematisch zijn.

Besparing op kosten is bijvoorbeeld moeilijk. De Wet van Baumol geldt hier, of zoals Hans Abbing het heeft verwoord: “in grote delen van de economie is er de laatste eeuwen sterk op arbeid bespaard, een besparing die in belangrijk geachte delen van de kunst achterwege is gebleven. Zo kost het nu veel minder mensuren om een brood te maken dan twee eeuwen geleden, maar voor een uitvoering van een strijkkwartet van Haydn zijn nog steeds vier muzikanten nodig.”

Ook werktijdverkorting is geen optie. De crisis leidt misschien tot minder uitvoeringen, maar de meeste tijd gaat zitten in repeteren. Als Voorzitter van de Raad van Commissarissen van het Concertgebouw zou ik niet graag horen dat daarop wordt bezuinigd.

Kansrijker lijkt het om net als boeren – ook een beroep waar roeping een belangrijke rol speelt – op zoek te gaan naar functiecombinaties. Boeren kunnen zich naast of in plaats van hun traditionele taken richten op bijvoorbeeld waterbeheer, natuur- en landschapsbeheer of toerisme. Overigens is dit niet een maatregel die voldoet aan de drie t’s: tijdig, trefzeker en tijdelijk. Het gaat hier meer om beleid voor de langere termijn. Vorig jaar heeft de SER aanbevolen om in het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid meer rekening te houden met nieuwe maatschappelijke wensen op het gebied van natuur, milieu en dierenwelzijn. Functiecombinaties passen daar goed bij.
Voor kunstenaars spelen zulke wensen in mindere mate een rol. Toch zijn er ook voor hen combinaties denkbaar. Schrijvers zouden, in navolging van bijvoorbeeld Arnon Grunberg, de literatuur tijdelijk kunnen verruilen voor de journalistiek. De mogelijkheden voor kunstenaars om in het verlengde van hun beroep een alternatief te vinden, lijken echter beperkt. Niet voor niets zoeken veel kunstenaars hun bijverdienste nu al vooral in bijvoorbeeld de horeca. En zelfs in de politiek duikt zo nu en dan een kunstenaar op.

De culturele sector kan in deze crisistijd dus wel wat steun gebruiken, en verdient dat ook. Kunstinstellingen hebben immers met veel succes hun best gedaan minder afhankelijk te worden van subsidies. Als zij nu hard getroffen worden door de recessie is dat wel erg zuur. Eigenlijk zouden ze minder moeten lijden naarmate ze er beter in zijn geslaagd zich onafhankelijker van de overheid te maken. Enkele jaren geleden poneerde een museumdirecteur zelfs de stelling dat op termijn alleen in oplage geproduceerde kunst kan overleven. Dat is een boude bewering, maar als de kunsten slecht uit de crisis komen dan zou die directeur best eens gelijk kunnen krijgen.

Hoe kan de sector worden gesteund? Veel overheden ontbreekt het simpelweg aan de middelen daartoe. En dat is begrijpelijk – of die middelen nou in IJsland zijn blijven liggen of productief worden besteed aan re-integratieactiviteiten of aan verduurzaming van de economie.
Toch hoop ik dat overheden in ieder geval niet bezuinigen op cultuur. Cultuur kan een belangrijke bijdrage leveren aan de lokale en nationale ontwikkeling. Cultuur kost niet alleen geld, het levert ook geld op. Cultuur in een stad is goed voor de horeca en het toerisme, en het trekt bedrijven aan. De kwaliteit van de culturele voorzieningen is mede bepalend voor het vestigingsklimaat.

Ook bedrijven zijn een belangrijke afnemer van kunst of sponsor van culturele activiteiten. Kunst op de werkplek zorgt voor een stimulerende werkomgeving en kan zo positief bijdragen aan de arbeidsproductiviteit. Tegelijkertijd kan kunst naar buiten toe de doelstelling en het imago van een bedrijf reflecteren. Dat betekent niet dat de kunstenaar zich naar de filosofie van het bedrijf moet voegen. Econoom Arjo Klamer waarschuwt voor zo een commercialisering van de kunst: “Kunst streeft maar één ding na: zichzelf.” Waar het om gaat, is een goede match vinden tussen kunst en bedrijf, en dat is maatwerk.

Daarbij hoeft het niet eens te gaan om dure en internationaal aansprekende collecties, zoals bijvoorbeeld ING of DNB die bezitten. De kunstcommissie van de SER heeft enkele jaren geleden het trappenhuis versierd met werk van kunstenaars met een verstandelijke beperking. Nog altijd nemen veel mensen – van binnen en van buiten de SER – speciaal de trap om deze kunst te bewonderen. En wie zeven verdiepingen te veel vindt, zorgt er in ieder geval voor onderin de vergadertafel van Bassam te hebben bekeken.

En dan zijn er nog de particuliere fondsen, zoals het eerder genoemde Prins Bernhard Cultuurfonds. Jaarlijks ondersteunt het fonds bijna vierduizend projecten. Het Cultuurfonds reageert allereerst op verzoeken uit het veld, maar wanneer het lacunes in het culturele aanbod signaleert, kan het ook met eigen initiatieven komen, of met geoormerkte bijdragen. Naast financiële steunverlening en eigen initiatieven kent het Cultuurfonds een aantal prijzen waarmee jong talent wordt aangemoedigd of een oeuvre wordt bekroond. De inkomsten van het fonds komen – naast loterijen en het rendement op beleggingen – voor een belangrijk deel uit giften en donaties. Als er onder u bankiers zijn, die na hun laatste bonus met een gewetensprobleem kampen, dan geef ik na afloop graag het rekeningnummer.

Crisisbeleid ten dienste van herstel

De economische crisis is niet begonnen in de culturele sector, en ook de oplossing ligt daar niet, al kan cultuur misschien wel bijdragen aan herstel van vertrouwen. Daarover later meer.
Behalve steun op korte termijn zijn de kunsten dus ook gebaat bij een gedegen sociaal-economisch beleid op middellange termijn, en ook in hun belang wil ik daar iets over zeggen. De uitdaging is te voorkomen dat de komende krimp een langdurige periode van economische stagnatie gaat inluiden. Een afschrikwekkend voorbeeld vormt Japan, waar een financiële crisis aan het begin van de jaren negentig leidde tot een decennium van economische stagnatie. Stagnatie remt innovatie, maakt het onmogelijk onze ambities voor vergroting van de arbeidsparticipatie te realiseren, bedreigt de beoogde investeringen in kennis en onderzoek, maakt het extra lastig de kosten van de vergrijzing op te vangen en is uiteindelijk ook slecht voor cultuur.

We moeten in elk geval in grote lijnen vasthouden aan het sociaal-economisch beleid van de afgelopen jaren. Vergeleken met andere Europese lidstaten hebben wij het de afgelopen vijf jaar uitstekend gedaan. Noodzakelijke hervormingen zijn succesvol afgerond, de overheidsfinanciën waren vóór het uitbreken van de kredietcrisis goed op orde en we hebben de traditie van een kleine, buitengewoon open economie.

Laten we niet te somber zijn. Van de onvermijdelijke, maar altijd tijdelijke teruggang in economische groei zouden we ook een kans kunnen maken. Te denken valt dan aan de uitdagingen van een structureel krapper wordende arbeidsmarkt, van het verwezenlijken van een eersteklas kenniseconomie en van een verduurzaming van productie- en consumptiepatronen. Kunnen we ook op de arbeidsmarkt een proces van 'creatieve destructie' vormgeven, zodat we de huidige crisis uitkomen met in de volle breedte beter opgeleide werknemers en duurzamer banen? Het is belangrijk dat landen hun beleid dusdanig gaan inrichten dat deze een bijdrage levert aan lange termijndoelstellingen. We moeten echt toe naar een duurzame kenniseconomie.

Vorig jaar heb ik daarom tijdens de Hofstadlezing een pleidooi gehouden om zuinig te zijn op Nederland. Zuinig op hoe wij omgaan met het land en met elkaar. Zuinig ook op de Nederlandse cultuur – uitvoerende kunst, beeldende kunst, ontwerpende kunst – die zich in ons kleine land zo voorbeeldig en veelkleurig heeft ontwikkeld; het is een voorrecht waarvan Nederlanders zich volstrekt onvoldoende bewust zijn.

Zo’n oproep tot zuinigheid is ogenschijnlijk onschuldig, want meestal onomstreden. Als ik zeg dat wij zuinig moeten zijn op onze talenten, dan loopt er niemand verontwaardigd weg. Maar ik moet met verdriet constateren dat wij bijvoorbeeld helemaal niet zuinig zijn op onze talenten. Wij verkwisten een flink deel ervan door ze te laten weglekken in voortijdige schoolverlaters of door feitelijk te discrimineren naar sociale herkomst. Jarenlang hebben wij de hoeders van dat talent niet voldoende gesteund in hun belangrijke taak.

Niet alleen cognitieve talenten, ook andere – bijvoorbeeld artistieke – talenten moeten worden gekoesterd. Nederlands design floreert en staat internationaal hoog aangeschreven. Niet voor niets heeft het Innovatieplatform de creatieve industrie benoemd tot een van de sleutelgebieden.
Het Innovatieplatform wil de concurrentiekracht van Nederland versterken vooral door de sterktes en kansrijke gebieden in het bedrijfsleven en wetenschap verder uit te bouwen. Dit krijgt vorm in de sleutelgebiedenaanpak. De achterliggende gedachte is dat innovatie in een alsmaar kennisintensievere economie steeds meer vraagt om samenwerking van bedrijven en kennisinstellingen. Om de kansen die sterktes van kennis en bedrijvigheid bieden te vergroten, is het nodig dat de partijen die bij dat gebied betrokken zijn (bedrijven, kennisinstellingen en overheden) elkaar weten te vinden, voortbouwen op elkaars krachten en de wil hebben een gezamenlijk doel te bereiken. Voor de jonge creatieve industrie ligt daar een bijzondere opgave.

De cultuurcrisis

Een gedegen sociaal-economisch beleid is van groot belang, maar niet voldoende. Er is meer aan de hand dan een economische crisis. Er lijkt ook een cultuurcrisis te zijn, rond onze Nederlandse, Westerse cultuur in de breedste zin van het woord.

Al toen ik in 2006 aantrad als voorzitter van de Sociaal-Economische Raad verwees ik naar een cultuur van onzekerheid, ontevredenheid en onverdraagzaamheid die in Nederland zijn intrede leek te hebben gedaan. Er was onzekerheid over een toekomst met teruglopende soevereiniteit in eigen locale en nationale kring, een toekomst die voor een oudere generatie steeds minder voorspelbaar wordt en voor een jongere generatie nooit echt voorspelbaar is geweest. Er was ontevredenheid over het onvermogen van de politiek in eigen land en in Europa om die onzekerheid te reduceren. En onverdraagzaamheid en onfatsoen waren de uitlaatklep die de eenheid verder onder druk zetten en de verdeeldheid bevorderden.

We zijn inmiddels drie jaar verder. Heel wat historische canons hebben ons in die tijd een antwoord proberen te geven op de vraag wie wij nou eigenlijk zijn. Desondanks is de ontevredenheid onverminderd zichtbaar in de politieke opiniepeilingen, de achterliggende onzekerheid is kennelijk nog steeds aanwezig, en de onverdraagzaamheid als uitlaatklep al evenzeer.

Voor een deel heeft dat te maken met de kredietcrisis, die heeft geleid tot een diepe vertrouwenscrisis. Banken vertrouwen banken niet meer, bedrijven vertrouwen banken niet meer en mensen maken zich zorgen of hun spaar- en pensioengelden nog wel veilig zijn. De maatschappelijke verontwaardiging over de bonussen en de graaicultuur kwam daar nog bovenop.

Maar de crisis zit dieper. Een belangrijke rol speelt bijvoorbeeld de veel vernomen vrees dat wij de beschikkingsmacht over onze toekomst uit handen zouden hebben gegeven aan duistere machten in Brussel en achter Beijing. Zeker in deze tijd van crisis klinkt de roep om protectionisme. Inmiddels hebben we al verschillende vormen van protectionisme langs zien komen, en niet alleen in landen – zoals Frankrijk – die daartoe in onze ogen bij uitstek geneigd zijn. Het begon met de wijze waarop Ierland via een selectieve verruiming van het depositogarantiestelsel het eigen bankwezen probeerde te beschermen, ten nadele van banken met een hoofdkantoor in Groot-Brittannië of verder weg. In Spanje klonk de roep om nationale waar te kopen ("want dan helpen wij elkaar"). Onze Angelsaksische overburen verslikten zich in "British jobs for British people". Helaas laat Nederland zich ook niet geheel onbetuigd. Zo deed onze staatssecretaris voor Buitenlandse Handel de aanbeveling om eens een binnenlandse vakantiebestemming te kiezen. Natuurlijk heeft Nederland veel te bieden. In die zin heeft hij volkomen gelijk. Maar bij deze oproep is terecht de kanttekening geplaatst dat dit initiatief geen brede navolging door onze buurlanden verdient.

Nederland is een volwaardig lid van de EU en moet dat uit volle overtuiging willen blijven. En Nederland is al evenzeer uit volle overtuiging onderdeel van de global village, en onderwerpt zich met volle overtuiging aan de spelregels van het dorp. Maar dat betekent niet dat wij de greep op onze eigen toekomst daarmee kwijt geraakt zijn.

Natuurlijk, ons economisch doen en laten speelt zich in belangrijke mate af binnen de Europese spelregels uit Brussel en de wereldwijde spelregels van de WTO. Maar die regels laten ons alle ruimte om een volstrekt eigen koers te blijven varen op de vele terreinen die Nederland interessant onderscheiden van de rest van de wereld en die onze nationale identiteit bepalen. Het is niet zo dat de bureaucraten in Brussel of de concurrenten in en achter Beijing ons dwingen om Nederland in te richten naar Angelsaksisch model, of om afscheid te nemen van onze tradities van fatsoenlijke hervormingsprocessen en goed georganiseerde solidariteit. Er is nog meer dan voldoende nationale beleidsruimte over om een eigen route uit te zetten.

Hoe globaal de wereld ook wordt, tegelijkertijd zal er een herwaardering plaatsvinden van de betekenis van de lokale omgeving. We moeten toe naar een modern provincialisme. En dan heb ik het niet over saaiheid en stoffigheid, maar over een wereld die globaal en tegelijkertijd dorps is. Onze bezigheden van elke dag, ons werk, onze kinderen en ook onze museum- of theaterbezoeken worden nog steeds in belangrijke mate gedicteerd door de lokale omgeving. In die zin hebben wij een extra reden om, juist als onderdeel van een Europese traditie, onze locale cultuur te koesteren.

De overlegeconomie is eveneens een voorbeeld van zo’n cultuureigen route. Of het poldermodel – zoals het door velen wordt genoemd – nu bij Erasmus begint of niet (1), wie de geschiedenis raadpleegt, hoeft zich niet te schamen voor de Nederlandse traditie van eenheid in verdeeldheid, die het al honderden jaren mogelijk maakt vooruitgang te boeken met respect voor wederzijdse eigenwijsheid.

De SER, als exponent van die overlegcultuur, is inmiddels een belangrijk exportproduct geworden. In vele landen ter wereld wordt onze aanpak inmiddels geïmiteerd, al lukt dat niet overal even goed. Essentieel is de blijvende bereidheid van sociale partners om hun oordelen en vooroordelen bij te buigen in een serieuze poging tot een gezamenlijke conclusie. Consensus is een middel, geen doel. Maar waar consensus tot stand kan komen zonder vergaande verwatering van standpunten is het een te koesteren ingrediënt voor het politieke debat dat erop volgt.

Juist dat vermogen tot breed gedragen, vernieuwende afronding van discussies, die soms van start gaan in bijkans onoverbrugbaar lijkende verschillen van mening, komt goed van pas in de EU van 27 lidstaten. De minister-president heeft onlangs in NRC-Handelsblad gepleit voor versterking van het Europees sociaal-economisch overleg (2). Het SER-model kan daarbij uitstekend als voorbeeld dienen.

De Nederlandse cultuur in Europees perspectief

Het is onmogelijk om het belang te onderschatten van de zich steeds verder uitbreidende Europese ruimte van veiligheid, stabiliteit en welvaart voor de Nederlandse economie en samenleving. Wie de geschiedenis van dit continent kent, en wie ook wel eens buiten Europa heeft rondgekeken, weet wat voor een kostbaar goed dat is. Een verworvenheid, waarin vele andere landen graag zouden willen delen. Europese coördinatie van nationaal beleid kan – juist ook in crisistijden – tot betere uitkomsten leiden. De euro heeft zijn bestaansrecht bewezen door stabiliteit te brengen waar deze hard nodig was.

Niet voor niets oefent de Europese Unie grote aantrekkingskracht uit op een brede kring van landen om ons heen. Dat neemt niet weg dat er behoefte is aan versterking van de effectiviteit van de EU van 27 lidstaten; het Verdrag van Lissabon legt daarvoor de institutionele basis. Vanmorgen heeft de raad een advies vastgesteld waarin aanbevelingen worden gedaan om vorm te geven aan het Europa van 2020. Daarbij gaat het erom de mogelijkheden voor duurzame groei in Europa zo goed mogelijk te benutten en verder te ontwikkelen. Zo kan Europa de samenhangende economische, juridische en waarden gemeenschap worden die haar oprichters voor ogen stond.

Het is tegen de achtergrond van dat Europa dat wij inhoud kunnen en moeten geven aan wat een nieuwe Gouden Eeuw kan worden. Een Gouden Eeuw waarin zowel economie als cultuur een bloeiperiode beleven. Dat economische groei en culturele bloei met elkaar samenhangen, heeft bijvoorbeeld de Amerikaanse politicoloog Ronald Inglehart aangetoond. Toename van welvaart kan leiden tot een toename van zelfontplooiingswaarden. Tevens stelt hij vast dat cultuur verandert door economische ontwikkeling. Geruststellend is de toevoeging dat dit proces padafhankelijk is. Van een tendens naar een monocultuur is dan ook geen sprake, al helemaal niet in Europa waar variëteit en diversiteit kernkwaliteiten zijn.

Vorig jaar verscheen de roman Netherland van Joseph O’Neill. Het is een zeer lezenswaardig boek. Het speelt zich af in het New York van vlak na de aanslagen van 11 september 2001. De hoofdpersoon Hans van den Broek is bankier. Als zijn vrouw hem verlaat en zijn kind meeneemt, raakt hij in een diepe persoonlijke crisis. Ik zal niet verklappen hoe het verhaal verder gaat, maar zijn mijmeringen over zijn jeugd in Nederland roepen heel herkenbare beelden op.

De schrijver weet de tijdgeest prachtig te verwoorden. Het grote geld van de bankiers. Een wereld in verwarring. En te midden van alle onzekerheid Nederland als een zekere vertrouwensbasis.

Maar niet altijd roept onze cultuur bij anderen begrip en vertrouwen op. De Toppers deden in Moskou hun naam vooral eer aan als het gaat om het tonen van maatschappelijke betrokkenheid. Toch timmert Nederland op cultureel gebied in Europa en in de wereld flink aan de weg. De Hollandse meesters van de 21e eeuw heten bijvoorbeeld Rem Koolhaas en Armin van Buuren. Als wij ook in deze crisistijd blijven investeren in cultuur, als wij zuinig zijn op onze talenten en als wij met zelfvertrouwen de toekomst tegemoet treden, dan kunnen daar nog veel klinkende namen bij komen en zal onze locale, Nederlandse cultuur in ruime en in enge zin opnieuw haar crisisbestendigheid bewezen hebben, als florerend onderdeel van een groter Europees geheel.

  1. Zie bijvoorbeeld: Herman Pleij (2005) Erasmus en het Poldermodel, Amsterdam.
  2. Jan Peter Balkenende, Sterker uit de crisis met Rijndeltamodel, NRC Handelsblad, 19 mei 2009.

 

dr. A.H.G. (Alexander) Rinnooy Kan / © Christiaan Krouwels