15 juni 2010, SER-gebouw Den Haag
Een flexibele arbeidsmarkt, waarop mensen optimaal mobiel (kunnen) zijn, kan er voor zorgen dat de economie tegen een stootje kan als het allemaal wat minder gaat. Van dat laatste is immers sinds anderhalf jaar sprake in Nederland. Meer arbeidsmobiliteit is ook noodzakelijk, gelet op de aankomende vergrijzing. Tegenwoordig ben je – volgens diverse onderzoeken – al oud als je 45 jaar bent! Empirisch materiaal laat zien dat hoe ouder men is, hoe minder mobiel men wordt. In Oostenrijk hebben ze getracht de arbeidsmobiliteit te vergroten door (onder meer) de Abfertigung Neu in te voeren (in 2003). Of de invoering van dit ‘rugzakje-systeem’ inderdaad een positief effect heeft gehad op de arbeidsmobiliteit, kwam tijdens het symposium in de presentatie van Daniele Krömer aan de orde. Zeven jaar na de invoering van het nieuwe systeem, is een eerste onderzoek naar de effecten van de Abfertigung Neu nagenoeg afgerond en enkele conclusies laten zich trekken. Is Oostenrijk goed oefenmateriaal voor de Nederlandse arbeidsmarkt of juist niet? Die vraag stond centraal tijdens het derde mini-symposium bij de SER (in de reeks van vijf) ter gelegenheid van de zestigste verjaardag van de SER.
Dagvoorzitter Astrid Feiter trapte het symposium af met een vraag aan het publiek: “Wie is er de afgelopen drie jaar van baan veranderd?” Dat bleek een beperkt aantal te zijn. Alexander Rinnooy Kan was zelf vier jaar geleden nog van baan gewisseld. Op de vraag aan enkelen die van baan waren veranderd of het achterlaten van mogelijk verworven rechten en ontslagbescherming nog van invloed waren geweest, antwoordden zij overwegend ontkennend. Eén dame ging van een vast naar een tijdelijk contract, maar nam dat risico voor lief omdat de nieuwe baan inhoudelijk zo aantrekkelijk was.
Na een kort inleidend welkomstwoord van Alexander Rinnooy Kan was het woord aan de eerste spreker:
Evert Verhulp, hoogleraar arbeidsrecht aan de Universiteit van Amsterdam.
Zijn voordracht was opgeknipt in twee delen: ‘wat juristen zouden willen weten’ en ‘wat juristen weten’. Juristen zouden graag willen weten wat nu precies de invloed van het Nederlandse ontslagrecht is op de zogenaamde ‘vrijwillige’ baanwisselingen, aangezien uit empirische studies die invloed niet duidelijk wordt. Onduidelijk is namelijk of een deel van de vrijwillige baanwisselaars, toch een ontslagvergoeding meekrijgt van de oude werkgever en zo ja, hoe groot dat deel dan is. Heeft het meekrijgen van een ontslagvergoeding bij vrijwillig vertrek invloed op de arbeidsmobiliteit? Daar is thans geen zicht op.
Wat ‘weten’ juristen? Er zijn grote, niet te rechtvaardigen verschillen tussen zzp’ers en werknemers, tussen ambtenaren en werknemers, tussen werknemers in tijdelijke dienst en werknemers in vaste dienst, en tussen werknemers in vaste dienst onderling. Volgens Verhulp zou het afschaffen van de ambtenarenstatus al kunnen leiden tot een grotere mobiliteit. Werknemers die in tijdelijke dienst zijn, hebben – over het algemeen – geen recht op enige ontslagvergoeding; dit in tegenstelling tot de werknemers met een vast contract die ontslagen worden. Dit leidt tot een ongerechtvaardigde ongelijkheid, aldus Verhulp. Een vergoeding zou primair moeten strekken tot voorkóming van werkloosheid en ter bestrijding van (de kosten van) werkloosheid als die toch intreedt, maar dan wel bij alle werknemers (tijdelijk of onbepaalde tijd, ambtenaar of zelfstandige). Dit pleit dan wellicht voor een ‘rugzakmodel’, zoals de Oostenrijkse Abfertigung Neu. Manco aan het Oostenrijkse systeem is volgens Verhulp, dat er vraagtekens geplaatst dienen te worden bij de inzet van het geld en de opbouw van het bedrag. Immers, na drie jaar dienstverband bij dezelfde werkgever kan de werknemer het opgebouwde bedrag opnemen en vrijelijk besteden aan scholing of re-integratie, maar kan ook aan een stedentrip of nieuwe koelkast. Het opgenomen bedrag wordt afgetrokken van het pensioenvermogen van de werknemer. Vraag is of dat de arbeidsmobiliteit bevordert.
Na Verhulp was het de beurt aan
Daniela Krömer, senior onderzoeker aan de Universiteit van Wenen. Zij vergeleek het ‘oude’ systeem van ontslagvergoedingen in Oostenrijk met de in 2003 ingevoerde Abfertigung Neu. Het oude systeem had een remmend effect op de arbeidsmobiliteit in Oostenrijk. Immers, hoe langer men bij dezelfde werkgever in dienst bleef, hoe hoger de opgebouwde ontslagvergoeding werd en hoe minder aantrekkelijk het dientengevolge werd om van baan te wisselen, aangezien dan de opgebouwde ontslagvergoeding bij vrijwillig vertrek geheel verloren zou gaan. Alleen in geval van ‘vertrek’ naar pensioen, was de werkgever nog steeds verplicht om de opgebouwde ontslagvergoeding aan de werknemer uit te keren. Een ander negatief effect van het oude systeem was, dat pas na drie jaar dienstverband enige ontslagvergoeding werd opgebouwd door de werknemer. Met name laaggeschoolden die gemakkelijk konden (en kunnen) worden vervangen, waren daarvan de dupe. Zij werden veelal binnen die drie jaar ontslagen zonder dat zij enige ontslagvergoeding hadden opgebouwd. Wat dat betreft is de Abfertigung Neu rechtvaardiger: alle werknemers bouwen vanaf de tweede maand dienstverband bij een werkgever 1,53% van hun bruto loon een spaarbedrag op. Een werknemer kan het opgespaarde geld alleen opnemen als een arbeidsrelatie met dezelfde werkgever ten minste drie jaar geduurd heeft, mits hij niet zelf het initiatief heeft genomen om de arbeidsrelatie te beëindigen. Men had van het Oostenrijkse systeem verwacht dat maar relatief weinig werknemers na beëindiging van de arbeidsovereenkomst na drie of meer jaar het opgespaarde geld zouden opnemen. Niets blijkt minder waar: in 2009 nam 96,83% van de werknemers die daarvoor in aanmerking kwamen, het opgespaarde geld op, hetgeen leidt tot een lager aanvullend pensioen (tweede pijler).
En het effect op de arbeidsmobiliteit in Oostenrijk? Als men kijkt naar baan-baan-mobiliteit dan blijkt uit zeer recent onderzoek (nog niet gepubliceerd) dat de arbeidsmobiliteit met ca. 2% is toegenomen. Dat is een korte termijn effect. Op de langere termijn zou het (positieve) effect op de arbeidsmobiliteit best eens groter kunnen zijn.
Tot slot was het woord aan
Egbert Jongen (senior onderzoeker CPB), die het onderwerp benaderde vanuit macro-economische invalshoek. Jongen gaf aan dat de kans om in Nederland werkloos te worden heel laag is, maar áls men dan eenmaal werkloos is, de kans om daar snel weer uit te stromen ook klein is: een werkloze is gemiddeld 18 maanden werkloos. Verder blijkt de ontslagvergoeding – in tegenstelling de totale ontslagbescherming in Nederland – in het algemeen geen effect te hebben op de werkloosheid. Ontslagbescherming, echter, verlaagt zowel de instroom in de WW als de uitstroom uit de WW. Maar heeft de ontslagbescherming invloed op de arbeidsmobiliteit? Jongen wist te melden dat daar geen empirisch bewijs van is. En daarom vindt hij het Oostenrijkse systeem wel interessant. Toch is hij van mening dat de Abfertigung Neu geen optie is voor Nederland, onder andere omdat het geld uit het rugzakje wordt verrekend met het pensioen. In Nederland sparen we internationaal gezien al veel voor het pensioen. Wel kunnen enkele elementen van het Oostenrijkse systeem interessant zijn voor Nederland. Het idee om toegang te hebben tot je pensioenvermogen bij werkloosheid is interessant en daarnaast opent het Oostenrijkse model wellicht de discussie in Nederland over de ontslagvergoedingen. Daarbij benadrukte hij dat er ook een taak is weggelegd voor de O&O-fondsen, om die meer intersectoraal in te zetten bij scholing.
Vervolgens ging de dagvoorzitter in debat met de zaal nadat de discussie was gestart door de sociale partners:
Jamila Aanzi van FNV Jong en
Rob Slagmolen van VNO-NCW en MKB-Nederland. Tijdens het debat kwamen onder meer de belemmeringen om meer arbeidsmobiel te zijn aan de orde, werd de vergeten groepen Wajong’ers, langdurig werklozen en mensen met een functiebeperking kort aangehaald en werd door diverse aanwezigen aangegeven dat er meer gedaan moet worden aan employability en duurzame inzetbaarheid van mensen. De dagvoorzitter vroeg nog aan de sociale partners welke boodschap zij – ieder voor zich – aan het nieuwe (nog te vormen) kabinet zouden willen meegeven. Daarop antwoordde Aanzi dat zij graag de positie van de flexwerkers en de werknemers met een tijdelijk contract verbeterd wil zien. Slagmolen zou willen dat het kabinet zich inzet voor verbetering van de organisatiekant, zodat re-integratie en VWNW-trajecten soepeler en beter verlopen. Alexander Rinnooy Kan sloot het symposium af. Volgens hem was tijdens het symposium duidelijk geworden dat werknemers weliswaar waarschijnlijk mondiger en flexibeler zijn geworden, maar dat hun behoefte aan zekerheid door de jaren heen niet zo heel veel is veranderd, en dat dat voorlopig nog wel zo zal blijven. Een van de grote opgaven voor de komende tijd zullen de O&O-fondsen zijn. Verder viel hem op dat nog relatief veel mensen buiten de boot vallen, waaronder mensen met een (functie)beperking, ouderen en allochtone jongeren. Juristen willen rechtvaardigheid en economen willen efficiëntie. Blijkbaar is arbeidsmobiliteit toch lastiger en kleurrijker dan vaak wordt gedacht.