Woensdag 10 februari 2010, SER-gebouw Den Haag
Het Nederlandse onderwijsbestel heeft de naam vroeg selecterend te zijn; leerlingen kiezen op hun twaalfde voor sterk gedifferentieerd vervolgonderwijs. De OESO wijst erop dat landen waar leerlingen pas op latere leeftijd kiezen het verhoudingsgewijs beter doen. Ongeacht hun sociaaleconomische achtergrond stromen meer leerlingen door naar hoger onderwijs. Kunnen Nederlandse onderwijsprestaties worden verbeterd door een andere inrichting van het stelsel? Deze vraag stond centraal tijdens een symposium dat de SER 10 februari organiseerde.
Jerzy Wisniewsky (ministerie van Onderwijs Polen) trad als eerste spreker op en haalde de Poolse resultaten in het PISA-onderzoek aan. Polen scoorde in 2000 nog onder het OESO-gemiddelde, in 2003 op het gemiddelde en in 2006 daarboven. Achter de aanzienlijke verbetering ligt een ingrijpende herziening van het Poolse onderwijsstelsel in 1998:
- herziening van het basisonderwijs door een blok van 8 jaar basisonderwijs te vervangen door twee blokken van resp. 6 jaar basisonderwijs en 3 jaar gymnasium (lager vervolgonderwijs).
- het wijzigen van het curriculum.
- invoeren van centrale testen en examens.
- veranderingen in de autonomie en governance van scholen, wijziging in de financiering en verbetering van de kwaliteit en positie van leraren.
Na het gymnasium kunnen leerlingen doorstromen naar algemeen en beroepsgericht middelbaar onderwijs.
Oorzaken betere resultaten
Voor de verbetering in de onderwijsresultaten zijn drie mogelijke oorzaken aan te wijzen. Het verlengde basisonderwijs, de veranderde examenstructuur (meer gewend aan testen) en meer uren les in wiskunde. Op basis van preciezer onderzoek van de cijfers concludeert Wisniewsky dat het uitstel van de keuze voor het vervolgonderwijs in elk geval een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de stijging van de PISA-score. Daarbij zijn de resultaten van de ‘laagpresteerders’ gestegen en die van de ‘top’ niet gedaald.
Lex Herweijer (SCP) trad als referent op. Volgens hem kan de verbetering meerdere oorzaken hebben en heeft het uitstel van keuze wel de prestaties verhoogd van de ‘laagpresteerders’ maar stagneren die prestaties daarna alsnog. Uit OESO-cijfers blijkt verder dat in het Poolse onderwijs het belang van de sociaaleconomische achtergrond van leerlingen de afgelopen periode niet echt veranderd is. Voor Nederland kiest Lex Herweijer niet voor een ingrijpende wijziging als uitstel van keuze voor vervolgonderwijs maar voor bredere brugklassen en voor het ‘stapelen’ in het voortgezet onderwijs.
Gelijke kansen en onderwijsprestaties
Volgens de tweede spreker, Aart Jan de Geus (plv. secretaris-generaal OESO), is het mogelijk om ongelijkheden als gevolg van sociaaleconomische verschillen te verkleinen en tegelijkertijd de schoolprestaties te verbeteren. Het inzetten op gelijke kansen hoeft helemaal niet ten koste te gaan van de beter presterende leerlingen. Om dit te bereiken moeten landen leerlingen langer bij elkaar houden.
Het later selecteren van leerlingen is echter niet voldoende. De Geus noemt drie succesfactoren die nodig zijn om gelijke kansen en betere prestaties simultaan te kunnen verwezenlijken. Allereerst gaat het om de positieve effecten van een goed onderwijsklimaat. Een goed onderwijsklimaat biedt ruimte voor locale autonomie, versterking van verantwoording en een focus op resultaten. Nederland kan hier nog leren van andere landen. Een tweede succesfactor is een meer persoonlijke aanpak in het onderwijs zelf. Een derde succesfactor is een breed totaalaanbod gecombineerd met geïndividualiseerde programma’s. Zodoende kunnen achterstanden van leerlingen in capaciteit en leerhouding worden gecompenseerd, en bijzondere talenten worden ontwikkeld. Ook dit stelt hoge eisen aan de opleiding en training van docenten.
Matige prestaties
In zijn commentaar vraagt Van Wieringen zich af of de conclusies van De Geus wel gerechtvaardigd zijn. Nederland heeft juist het probleem dat de betere studenten maar matig presteren. Latere selectie (zoals De Geus voorstelt) zal wel de gelijke kansen bevorderen, maar de prestaties van de betere leerlingen niet verbeteren.
Bovendien heeft van Wieringen niet de indruk dat de onderkant nu te weinig kansen krijgt. Nederland scoort hoog in de deelname aan het lang hoger onderwijs ook ten opzichte van landen met een comprehensief systeem. De deelname van niet-westerse allochtonen ligt nu al bij de 15 procent (van 7 naar 15). Het probleem is eerder dat allochtone Nederlandse leerlingen vaker voortijdig uitstromen doordat ze te weinig begeleiding krijgen. Is het dan niet passender om in te zetten op het verbeteren van de studieresultaten van de groep die het hoger onderwijs wel bereikt? Een derde punt is dat het Nederlandse systeem elementen heeft die het nadeel van vroege selectie beperken, zoals de vele stapelmogelijkheden.
Ontplooien talent
Aftrap voor het debat komt van sociale partners. Werkgeversorganisaties vinden volgens Chiel Renique van VNO-NCW aandacht voor het beter kunnen ontplooien van ieders talenten zeer aantrekkelijk, maar waarschuwen voor te snelle conclusies over de bijdrage die latere selectie daaraan zou geven. Bovendien is het huidige onderwijs al veel minder selectief dan 20 jaar geleden. Het is goed meer aandacht te hebben voor correctiemogelijkheden die onwenselijke effecten van te vroege selectie tegengaan. Die talent-lek kan en moet worden bestreden, bijvoorbeeld met voorschoolse educatie, vakscholen en betere mogelijkheden om te stapelen.
Werknemersorganisaties delen de conclusie dat talenten van jongeren niet goed benut worden. Wouter van der Schaaf (Aob) gelooft in een aanpak waarbij zwakke punten worden versterkt en sterke punten beter worden benut. Natuurlijk is de vraag van belang of je als je voor een dubbeltje geboren wordt wel een kwartje kunt worden, maar is het niet ook zo dat Nederland met zijn onderwijsinvesteringen voor een dubbeltje op de eerste rij wil zitten? Bij het doorvoeren van verbeteringen is het daarnaast heel belangrijk dat goed gekeken wordt naar wat direct betrokkenen ervan vinden, zoals leraren en werkgevers.
Investeren in kennis
Vervolgens gaat de dagvoorzitter in debat met de zaal, waarbij onder meer de overwegend positieve ervaringen met latere selectie bij een school in de Bijlmer naar voren komen. Voor docenten vraagt die werkwijze overigens wel heel wat, reden om ook op lerarenopleidingen en via bijscholing te werken aan kennis en vaardigheden bij het omgaan met grotere verschillen in een groep. Juist die heterogeniteit in een groep maakt dat zwakkere leerlingen zich kunnen optrekken aan sterkere leerlingen. Hier raakte de discussie ook het uiterst lastige vraagstuk van de segregatie in het onderwijs.
Ter afsluiting van het debat geeft Alexander Rinnooy Kan aan dat hij van een deugdelijk onderwijssysteem verwacht dat het irrelevante verschillen minimaliseert en relevante verschillen maximaliseert. Het lijkt of we er niet in slagen deze opdrachten met elkaar te verenigen: aan de bovenkant missen we kansen, aan de onderkant zeker ook. Dat stemt zorgelijk. Daarom pleit hij voor een ambitieuze hervormingsagenda, die ook binnen het huidige stelsel te realiseren moet zijn. Hij herinnert de aanwezigen aan de kennisinvesteringsagenda en pleit ervoor meer te investeren in kennis voor een blijvende welvaart.